De Flikker.
Zelf had ik het nooit gedacht, maar blijkbaar oog ik gevaarlijk, boosaardig ende verdacht. Mocht u ooit de kans krijgen, u kan dat verifiëren in de luchthaven van Auckland.
Een collega en ik waren daar namelijk beland na een late vlucht vanuit Sydney, waar we een werkbezoek aan de visveiling hadden gebracht, en in Auckland was nu een bloemenveiling aan de beurt.
De vlucht zelf was verschrikkelijk, aangezien ik mezelf drie uur uur lang heb moeten inhouden om het jankende kind voor mij met een rechtse hoek de meest efficiënte verdoving toe te dienen. Niet dat ik vind dat een corrigerende tik op zijn tijd verboden is hoor - nee, de apathische moederkloek die ernaast zat, zag er met haar vlotte driehonderd kilogram niet uit alsof ze mijn interventie zou tolereren zonder dat mijn fantastische hoofd voor de rest van de vlucht tussen haar enorme dijen zou kamperen. Ieder beestje z’n feestje, maar daar bedank ik voor.
Mijn collega liet het gemekker echter niet aan z’n hart komen en kon de slaap gemakkelijk vatten, wat mij de gelegenheid bood om me ledig te houden met het invullen van onze ‘customs cards’.
Paspoortnummer, vluchtnummer, land van herkomst, adres op bestemming. Iets aan te geven? In Oceanië is men nogal streng wat het importeren van voedsel betreft, dus na het voornemen gemaakt te hebben om zometeen de drie zakken lolly’s met colasmaak in mijn handbagage nog in mijn viool te kletsen, vulde ik naar toekomstige waarheid in dat we niets eetbaars hadden aan te geven. Geen teveel aan sigaretten bij. Alcohol ook niet. Voilà. Slechts datum en handtekening scheidden me van voltooiing.
Hmmm… Handtekening. Collega slaapt. Probleem. Zou ik hem wakker maken? Nah, ik heb een beter idee.
Dus stapte mijn collega wat later van het vliegtuig met een customs card gesigneerd door ene ‘Flikker’. Ja, soms ben ik té grappig, zwijg mij ervan.
Enfin, de bagage werd vlotjes van de band geplukt en al snel vonden we de file waar we moesten aansluiten om voorbij de douane te geraken. Lang hoefden we daar niet te wachten, want we werden eruitgepikt voor nadere controle.
Toegegeven, mijn ietwat langere haar, mijn paar dagen oude baard en de kunstige ventilatiegaten in mijn spijkerbroek zouden met veel kwade wil onder de noemer ‘onconventioneel voor een zakenman’ kunnen geschaard worden, maar het was nu ook niet zo dat ik daar uitdagend rondhuppelde met een gordel van lege rolletjes WC-papier om mijn middel, onderwijl roestig Arabisch brabbelend.
We werden meegenomen naar een aparte zaal waar een ontvangstcomité van drie gewapende agenten ons opwachtte en ons gebood te gaan zitten. Nu moet u weten dat mijn collega de eigenschap bezit om iedereen in alle omstandigheden zijn visie op de gebeurtenissen toe te bijten zonder enige vorm van gepast protocol, en laat mij u verzekeren: dat is een knoert van een eufemisme. Ik ben zo niet. Ik ben meer het brave type, het mietje dat in deze situatie preventief en zonder verzoek daartoe de broek afstroopt en zich voorover buigt, volledig klaar om de onaangename latex handschoen in ontvangst te nemen voor een diepgaand onderzoek. Maar mijn collega? Nee, da’s geen bukker.
‘It’s always the same! This is the second time!’ reclameerde hij luid en spuwend. ‘We travel all around the world, we never have any problems, except here in New-Zealand!’
En toen sprak hij de gevleugelde woorden: ‘I’m getting pissed of this country!’
Nee, dát was een strak plan.
Eén van de agenten kreeg prompt last van een zenuwtic in z’n rechteroog en ik zou gezworen hebben dat een tweede diender naar zijn blaffer wilde grijpen. De derde gebood ons op een redelijk onschattige manier om onze smoel te houden en schoof ons een document toe, waarop we ten tweede male moesten uiteenzetten wat we kwamen doen en wat er zich allemaal in onze bagage bevond.
Ik weet niet of u ooit in een visveiling vertoefd heeft, maar de geur die daar hangt en uw kleren brandmerkt, doet u kokhalzen - vraag maar aan de vrouwelijke agente die onze bagage doorzocht. Het staafde in ieder geval gelukkig ons eerdere verblijf in Australië.
Wat dan weer wél voor gefronste wenkbrauwen zorgde waren de twee stukken hardware die mijn collega in z’n bagage had gestoken. Een standaard groene printplaat met drukknopjes - broodnodig om in een veilzaal te kunnen bieden, maar o zo niet grappig op een luchthaven. In úw bagage. Tussen de naar vis ruftende onderbroeken. Lachen man.
Twee uur hebben we daar gezeten. Twee ondertussen nachtelijke uren. Toen mochten we gaan.
‘These are your signatures?’ vroeg de agente, zwaaiend met onze customs cards.
We knikten aarzelend.
‘Ok, please sign the form you just filled out…’
En terwijl ik mijn collega niet durfde aan te kijken, boog ik me grinnikend over mijn formulier om mijn krabbel te zetten, want ik was in de wetenschap dat hij - pissed of this country - gedwongen was zijn papier te ondertekenen met de handtekening die ik voor hem gekozen had. De Flikker.
Een collega en ik waren daar namelijk beland na een late vlucht vanuit Sydney, waar we een werkbezoek aan de visveiling hadden gebracht, en in Auckland was nu een bloemenveiling aan de beurt.
De vlucht zelf was verschrikkelijk, aangezien ik mezelf drie uur uur lang heb moeten inhouden om het jankende kind voor mij met een rechtse hoek de meest efficiënte verdoving toe te dienen. Niet dat ik vind dat een corrigerende tik op zijn tijd verboden is hoor - nee, de apathische moederkloek die ernaast zat, zag er met haar vlotte driehonderd kilogram niet uit alsof ze mijn interventie zou tolereren zonder dat mijn fantastische hoofd voor de rest van de vlucht tussen haar enorme dijen zou kamperen. Ieder beestje z’n feestje, maar daar bedank ik voor.
Mijn collega liet het gemekker echter niet aan z’n hart komen en kon de slaap gemakkelijk vatten, wat mij de gelegenheid bood om me ledig te houden met het invullen van onze ‘customs cards’.
Paspoortnummer, vluchtnummer, land van herkomst, adres op bestemming. Iets aan te geven? In Oceanië is men nogal streng wat het importeren van voedsel betreft, dus na het voornemen gemaakt te hebben om zometeen de drie zakken lolly’s met colasmaak in mijn handbagage nog in mijn viool te kletsen, vulde ik naar toekomstige waarheid in dat we niets eetbaars hadden aan te geven. Geen teveel aan sigaretten bij. Alcohol ook niet. Voilà. Slechts datum en handtekening scheidden me van voltooiing.
Hmmm… Handtekening. Collega slaapt. Probleem. Zou ik hem wakker maken? Nah, ik heb een beter idee.
Dus stapte mijn collega wat later van het vliegtuig met een customs card gesigneerd door ene ‘Flikker’. Ja, soms ben ik té grappig, zwijg mij ervan.
Enfin, de bagage werd vlotjes van de band geplukt en al snel vonden we de file waar we moesten aansluiten om voorbij de douane te geraken. Lang hoefden we daar niet te wachten, want we werden eruitgepikt voor nadere controle.
Toegegeven, mijn ietwat langere haar, mijn paar dagen oude baard en de kunstige ventilatiegaten in mijn spijkerbroek zouden met veel kwade wil onder de noemer ‘onconventioneel voor een zakenman’ kunnen geschaard worden, maar het was nu ook niet zo dat ik daar uitdagend rondhuppelde met een gordel van lege rolletjes WC-papier om mijn middel, onderwijl roestig Arabisch brabbelend.
We werden meegenomen naar een aparte zaal waar een ontvangstcomité van drie gewapende agenten ons opwachtte en ons gebood te gaan zitten. Nu moet u weten dat mijn collega de eigenschap bezit om iedereen in alle omstandigheden zijn visie op de gebeurtenissen toe te bijten zonder enige vorm van gepast protocol, en laat mij u verzekeren: dat is een knoert van een eufemisme. Ik ben zo niet. Ik ben meer het brave type, het mietje dat in deze situatie preventief en zonder verzoek daartoe de broek afstroopt en zich voorover buigt, volledig klaar om de onaangename latex handschoen in ontvangst te nemen voor een diepgaand onderzoek. Maar mijn collega? Nee, da’s geen bukker.
‘It’s always the same! This is the second time!’ reclameerde hij luid en spuwend. ‘We travel all around the world, we never have any problems, except here in New-Zealand!’
En toen sprak hij de gevleugelde woorden: ‘I’m getting pissed of this country!’
Nee, dát was een strak plan.
Eén van de agenten kreeg prompt last van een zenuwtic in z’n rechteroog en ik zou gezworen hebben dat een tweede diender naar zijn blaffer wilde grijpen. De derde gebood ons op een redelijk onschattige manier om onze smoel te houden en schoof ons een document toe, waarop we ten tweede male moesten uiteenzetten wat we kwamen doen en wat er zich allemaal in onze bagage bevond.
Ik weet niet of u ooit in een visveiling vertoefd heeft, maar de geur die daar hangt en uw kleren brandmerkt, doet u kokhalzen - vraag maar aan de vrouwelijke agente die onze bagage doorzocht. Het staafde in ieder geval gelukkig ons eerdere verblijf in Australië.
Wat dan weer wél voor gefronste wenkbrauwen zorgde waren de twee stukken hardware die mijn collega in z’n bagage had gestoken. Een standaard groene printplaat met drukknopjes - broodnodig om in een veilzaal te kunnen bieden, maar o zo niet grappig op een luchthaven. In úw bagage. Tussen de naar vis ruftende onderbroeken. Lachen man.
Twee uur hebben we daar gezeten. Twee ondertussen nachtelijke uren. Toen mochten we gaan.
‘These are your signatures?’ vroeg de agente, zwaaiend met onze customs cards.
We knikten aarzelend.
‘Ok, please sign the form you just filled out…’
En terwijl ik mijn collega niet durfde aan te kijken, boog ik me grinnikend over mijn formulier om mijn krabbel te zetten, want ik was in de wetenschap dat hij - pissed of this country - gedwongen was zijn papier te ondertekenen met de handtekening die ik voor hem gekozen had. De Flikker.
Vier!
‘Kan dat niet wat sneller?’ pufte mevrouw Coltrui.
Ik likte mijn zweetsnor weg, kneep in het stuur en verbeet mijn argument dat we ons al ver boven de toegelaten snelheid voortbewogen. Enkel een masochist durft immers een vrouw tegen te spreken wanneer ze het feestelijke vooruitzicht geniet om dra een pakketje blijdschap van om en bij de vier kilo uit de schoot te mogen persen. En wanneer u dat hoopje vreugd daar dan nog zèlf ingestoken heeft, houdt u best helemaal uw mond. Dus, hoewel het aardedonker was, deed ik de naald van de snelheidsmeter opwippen.
Ik negeerde de snelheidslimieten, flirtte met oranjerode lichten en stelde de voorrang van rechts voor andere nachtelijke weggebruikers uit tot nader order. Die verkeersdrempel had ik wel gezien, maar ‘Befehl ist Befehl’ en tegen een slordige tachtig per uur katapulteerde ik ons karretje over het obstakel het luchtruim in. Wegens haar gezegende toestand had mevrouw Coltrui haar gordel niet om, waardoor ze met een geweldige kopstoot de wagen ei zo na tot cabrio promoveerde.
‘Kan dat niet wat trager?’ kloeg ze met de ene hand op haar buik en de andere op haar hoofd.
‘Ja zeg, wat is het nu? Sneller of trager? Subiet stop ik en rijdt ge zelf!’ dacht ik stiekem stilletjes bij mezelf. Tenminste, ik dácht dat ik het stilletjes bij mezelf had gedacht, edoch blijkbaar had ik het nogal luidop gedacht en dat werd deze liefhebbende held boordevol empathie niet in dank afgenomen. Ik heb veel nieuwe scheldwoorden geleerd, en ken sindsdien de precieze reikwijdte een vrouw haar maaiende armen. Laat ons het daarop houden.
De arbeidskamer was gezellig. Als schuldbewuste man heeft u een aantal prenatale lessen meegevolgd om, met enkele puf- en blaastechnieken onder de knie, gewapend te zijn tegen het verschrikkelijke lijden van uw vrouw. U zal haar bijstaan, afleiden wanneer nodig en haar ademhaling regelen door als een belachelijke idioot het goede voorbeeld te geven. Nooit grotere onzin geweten.
Mijn eerste goedbedoelde meepufpoging resulteerde in een blauw oog, een tweede leverde me een duw en een ‘laat mij gerust!’ op. Ze sommeerde me zelfs ergens een pint te gaan pakken en omdat ik weigerde, stopte ze me uiteindelijk maar de afstandsbediening van de televisie in de handen.
En zo zag ik, terwijl zij puffend in rondjes strompelde en noch in het bad, noch op de bal - nergens eigenlijk - tot rust kon komen, hoe zowel Justin Henin en Kim Clijsters hun halve finale wonnen. Redelijk verwarrend om twee tennissters aan de slag te zien en er drie te horen kreunen.
Held van de dag bleek de anesthesioloog. Had ik mevrouw Coltrui niet tegengehouden, ze had hem een huwelijksaanzoek gedaan.
De bevalling zelf verliep vlekkeloos voor zover dat gezegde hier gebruikt kan worden. Conform mijn voornemens vatte ik ditmaal post aan de zijde van de bevallige vrouw, in plaats van aan de kant waaruit uw nageslacht - als het goed is - de kop zal opsteken. Niet dat mijn maag een mietje is en het op een lopen zet wanneer de geliefkoosde ingang ook een uitgang blijkt te zijn of zo, maar wanneer u als man het hoofdje ziet verschijnen, gaan uw ogen net zover open als de poort en kan u het niet helpen dat u vreest dat het daar nooit meer goed zal komen.
Dus posteerde ik me op een stoel en gaf ik mevrouw Coltrui een hand. Nadat ze een keer of vier op aangeven van de vroedvrouw uit alle macht geperst had, vergaarde ik de moed bijeen om haar er voorzichtig en liefdevol op te wijzen dat ze daar beneden moest persen en niet in mijn hand. Een vrijblijvende tip voor toekomstige vaders: doe dat niet.
En kijk, dat verrimpelde kleine hoopje, geboren met een deuk in haar hoofd, is vandaag vier geworden. Of zoals ze zelf vorig jaar al trots en met haar handjes in de lucht verkondigde: ‘Ik ben jaardag!’
Edit - 10.56u : Handig, zo'n kleuterjuf die er een live-blog op nahoudt
:

Ik likte mijn zweetsnor weg, kneep in het stuur en verbeet mijn argument dat we ons al ver boven de toegelaten snelheid voortbewogen. Enkel een masochist durft immers een vrouw tegen te spreken wanneer ze het feestelijke vooruitzicht geniet om dra een pakketje blijdschap van om en bij de vier kilo uit de schoot te mogen persen. En wanneer u dat hoopje vreugd daar dan nog zèlf ingestoken heeft, houdt u best helemaal uw mond. Dus, hoewel het aardedonker was, deed ik de naald van de snelheidsmeter opwippen.
Ik negeerde de snelheidslimieten, flirtte met oranjerode lichten en stelde de voorrang van rechts voor andere nachtelijke weggebruikers uit tot nader order. Die verkeersdrempel had ik wel gezien, maar ‘Befehl ist Befehl’ en tegen een slordige tachtig per uur katapulteerde ik ons karretje over het obstakel het luchtruim in. Wegens haar gezegende toestand had mevrouw Coltrui haar gordel niet om, waardoor ze met een geweldige kopstoot de wagen ei zo na tot cabrio promoveerde.
‘Kan dat niet wat trager?’ kloeg ze met de ene hand op haar buik en de andere op haar hoofd.
‘Ja zeg, wat is het nu? Sneller of trager? Subiet stop ik en rijdt ge zelf!’ dacht ik stiekem stilletjes bij mezelf. Tenminste, ik dácht dat ik het stilletjes bij mezelf had gedacht, edoch blijkbaar had ik het nogal luidop gedacht en dat werd deze liefhebbende held boordevol empathie niet in dank afgenomen. Ik heb veel nieuwe scheldwoorden geleerd, en ken sindsdien de precieze reikwijdte een vrouw haar maaiende armen. Laat ons het daarop houden.
De arbeidskamer was gezellig. Als schuldbewuste man heeft u een aantal prenatale lessen meegevolgd om, met enkele puf- en blaastechnieken onder de knie, gewapend te zijn tegen het verschrikkelijke lijden van uw vrouw. U zal haar bijstaan, afleiden wanneer nodig en haar ademhaling regelen door als een belachelijke idioot het goede voorbeeld te geven. Nooit grotere onzin geweten.
Mijn eerste goedbedoelde meepufpoging resulteerde in een blauw oog, een tweede leverde me een duw en een ‘laat mij gerust!’ op. Ze sommeerde me zelfs ergens een pint te gaan pakken en omdat ik weigerde, stopte ze me uiteindelijk maar de afstandsbediening van de televisie in de handen.
En zo zag ik, terwijl zij puffend in rondjes strompelde en noch in het bad, noch op de bal - nergens eigenlijk - tot rust kon komen, hoe zowel Justin Henin en Kim Clijsters hun halve finale wonnen. Redelijk verwarrend om twee tennissters aan de slag te zien en er drie te horen kreunen.
Held van de dag bleek de anesthesioloog. Had ik mevrouw Coltrui niet tegengehouden, ze had hem een huwelijksaanzoek gedaan.
De bevalling zelf verliep vlekkeloos voor zover dat gezegde hier gebruikt kan worden. Conform mijn voornemens vatte ik ditmaal post aan de zijde van de bevallige vrouw, in plaats van aan de kant waaruit uw nageslacht - als het goed is - de kop zal opsteken. Niet dat mijn maag een mietje is en het op een lopen zet wanneer de geliefkoosde ingang ook een uitgang blijkt te zijn of zo, maar wanneer u als man het hoofdje ziet verschijnen, gaan uw ogen net zover open als de poort en kan u het niet helpen dat u vreest dat het daar nooit meer goed zal komen.
Dus posteerde ik me op een stoel en gaf ik mevrouw Coltrui een hand. Nadat ze een keer of vier op aangeven van de vroedvrouw uit alle macht geperst had, vergaarde ik de moed bijeen om haar er voorzichtig en liefdevol op te wijzen dat ze daar beneden moest persen en niet in mijn hand. Een vrijblijvende tip voor toekomstige vaders: doe dat niet.
En kijk, dat verrimpelde kleine hoopje, geboren met een deuk in haar hoofd, is vandaag vier geworden. Of zoals ze zelf vorig jaar al trots en met haar handjes in de lucht verkondigde: ‘Ik ben jaardag!’
Edit - 10.56u : Handig, zo'n kleuterjuf die er een live-blog op nahoudt

Godvermiljaar!
Ee tijdje geleden gaf Humo, een Vlaams weekblad, de gelegenheid om voor een klein extraatje een zakagenda te bekomen van - jawel, sidder en beef - Kabouter Wesley!

Aangezien ik er nu twee heb, kan ik er eentje missen, dus leek het me leuk om deze weg te schenken aan Haïti. Ik heb gebeld, maar Haïti moest er niets van weten...
Ik weet het: agenda's zijn zoooo 1834 voor Christus, maar blijkbaar zijn er ook Kabouter Wesley fans aan jullie kant van de grens, dus bij dezen heeft u de gelegenheid om trotse bezitter te worden van zo'n Kabouter Wesley collector's item!
Het enige wat u hoeft te doen, is 1) pech hebben en Nederlander zijn (gelukkige Belgen zijn uitgesloten van deelname) en 2) als eerste raden welke tekst er onder het zwarte blokje stond:

De eerste die me het juiste antwoord mailt of comment - ik kijk naar het tijdstip en trek me niks aan van het tijdsverschil tussen de mailserver van mijn provider en de T.net server - krijgt hem toegezonden. De tweede krijgt niks en de derde nog minder. Ik hoop dat ik u niet hoef te vertellen wat de vierde krijgt. Of de vijfde.
Vragen in de comments zijn toegelaten, dus toegankelijk voor iedereen, edoch verwaardig ik me slechts tot het uiten van een 'ja' of een 'nee', dus stel uw eventuele vragen dan ook op met dat in uw achterhoofd.
Moge de slechtste winnen, godvermiljaar!

Aangezien ik er nu twee heb, kan ik er eentje missen, dus leek het me leuk om deze weg te schenken aan Haïti. Ik heb gebeld, maar Haïti moest er niets van weten...
Ik weet het: agenda's zijn zoooo 1834 voor Christus, maar blijkbaar zijn er ook Kabouter Wesley fans aan jullie kant van de grens, dus bij dezen heeft u de gelegenheid om trotse bezitter te worden van zo'n Kabouter Wesley collector's item!
Het enige wat u hoeft te doen, is 1) pech hebben en Nederlander zijn (gelukkige Belgen zijn uitgesloten van deelname) en 2) als eerste raden welke tekst er onder het zwarte blokje stond:

De eerste die me het juiste antwoord mailt of comment - ik kijk naar het tijdstip en trek me niks aan van het tijdsverschil tussen de mailserver van mijn provider en de T.net server - krijgt hem toegezonden. De tweede krijgt niks en de derde nog minder. Ik hoop dat ik u niet hoef te vertellen wat de vierde krijgt. Of de vijfde.
Vragen in de comments zijn toegelaten, dus toegankelijk voor iedereen, edoch verwaardig ik me slechts tot het uiten van een 'ja' of een 'nee', dus stel uw eventuele vragen dan ook op met dat in uw achterhoofd.
Moge de slechtste winnen, godvermiljaar!
De laatste noot
Bij het lezen van een comment op mijn vorige post, moest ik meteen denken aan een kortverhaal dat ik nog ergens op de planken heb liggen. De tragiek van het alledaagse leven. Wie humor verwacht, komt deze keer bedrogen uit - het wordt een lap non-humor fictie. Nou ja, niet echt fictie... Prettig weekend!
Lees verder »
Lees verder »
Ochtenden zijn tof!
De wekker zingt een van uw favoriete nummers, waardoor hij op uiterst zoete wijze een einde maakt aan uw verkwikkende nachtrust. U gaat rechtop zitten, rekt zich uit en begeeft zich vervolgens - zonder uw partner wakker te maken - naar de slaapkamer van uw nageslacht, waar uw twee roosjes het aanbreken van een nieuwe dag nog niet beseffen. U glimlacht, sluit de deur en treedt vervolgens de badkamer binnen om te genieten van een uitgebreide douche.
Een klein half uurtje later kan u de trap nederdalen om in de keuken koffie te zetten, toast te maken en een paar eitjes te koken.
Nadat u de tafel sierlijk heeft gedekt, wrijft de poes zich even tegen uw benen aan, haar staart gekruld in een vraagteken. U geeft het beestje een aai en voldoet aan haar verzoek om haar bakje korrels bij te vullen.
Daarna bereidt u de boterhammetjes voor uw spruitjes die, wanneer die taak erop zit, net op tijd met uw partner aan tafel komen schuiven, fris gewassen en netjes aangekleed. Met veel smaak smikkelen ze in stilte van hun ontbijt, zodat u het nieuws op de radio kan meepikken.
U ledigt uw mok koffie, raadpleegt uw horloge en ziet dat het tijd wordt om stilaan richting werk te rijden. De kindjes gaan boven hun tandjes poetsen en komen daarna weer naar beneden, waar ze hun jas en schoeisel aantrekken. Acht uur. Zoals steeds weer perfect op tijd!
En dan nu de werkelijkheid?
Drie kwartier nadat u de door merg en been gaande gebleir van de alarmwekker het zwijgen heeft opgelegd met een flinke mep, krijgt u een ellenboogstoot van uw partner. U schrikt wakker en vraagt zich meteen af hoe het mogelijk is om gewoon door te slapen met dat enorme gekrijs dat vanuit de kinderkamer komt.
U beseft dat het alweer krap zal worden om op tijd te zijn, schiet zich naar de badkamer waarbij u uw teen stoot tegen een poot van het bed. Een half kattenwasje moet voldoende zijn, gezien de spruiten de slaapkamer onderhand aan het verbouwen zijn. U grijpt hen bij hun nekvel, sprint er de trap mee af en struikelt in de keuken over uw kat, plat op uw gezicht.
U parkeert uw nageslacht aan tafel, smijt wat ontbijtgranen en yoghurt in hun richting en zoekt zich te pletter naar brood voor hun lunch dat er niet is. Uw kat krabt onophoudelijk aan uw broekspijp. U zet gauw koffie en voor u naar de bakker spurt, blust u het brandje dat ontstaan is door het gevecht om het laatste potje yoghurt door als een ware Salomon het onding in de vuilbak te flikkeren. U waarschuwt beide partijen op te houden, op straffe van een embargo op snoepgoed. De jongste knikt beteuterd en kletst - om het goed te maken - de fles melk tegen het linoleum. De oudste vraagt wat een embargo is.
U trekt de voordeur open en smijt uw kat die blijkbaar niet kan beslissen of ze nu binnen of buiten wil vertoeven met een grote boog zo’n drie wijken verder.
Teruggekomen van de overvolle bakker, laat u uw kat weer binnen, giet u zichzelf een kop koffie uit die u toch nooit zal kunnen leegdrinken, waarna u zich aan tafel smijt. U belegt het verse brood met dingen waarvan uw spruiten u onophoudelijk zeurend verzekeren dat ze het niet lusten. De kat maauwt u de oren van het hoofd. Het nieuws gaat in stukken en brokken aan u voorbij.
Als de kroost gegeten heeft, kleedt u hen aan. Wanneer het laatste knoopje dicht is, komt uw partner naar beneden, die hen zuchtend weer uitkleedt, waarna ze beide outfits van kind verwisselt.
U ruimt de tafel af (waarbij u tussen de ijskast en de tafel nog eens over de kat flikkert) en overweegt om nieuw servies aan te schaffen, zodat u alles gewoon vlotjes in de vuilnisbak kan keilen. Vuilnisbakken? Juist, die moeten ook nog buiten. U neemt beide zakken ter hand, die uiteraard scheuren en vloekt. U raadpleegt uw horloge en constateert een half uur vertraging. U sommeert uw kinderen om snel jas en schoenen aan te trekken.
Na het kwartier dat u nodig had om uw huisvuil in nieuwe zakken te duwen, treft u uw kindertjes aan zonder jas en in nog steeds ongeschoeide toestand. Sterker nog: beiden zijn weer half uitgekleed. Logisch, want hun sokken en onderbroek hadden ze nodig om de kat aan te kleden.
U buigt het hoofd, telt opnieuw een half uur bij uw vertraging en huilt zachtjes.
Een klein half uurtje later kan u de trap nederdalen om in de keuken koffie te zetten, toast te maken en een paar eitjes te koken.
Nadat u de tafel sierlijk heeft gedekt, wrijft de poes zich even tegen uw benen aan, haar staart gekruld in een vraagteken. U geeft het beestje een aai en voldoet aan haar verzoek om haar bakje korrels bij te vullen.
Daarna bereidt u de boterhammetjes voor uw spruitjes die, wanneer die taak erop zit, net op tijd met uw partner aan tafel komen schuiven, fris gewassen en netjes aangekleed. Met veel smaak smikkelen ze in stilte van hun ontbijt, zodat u het nieuws op de radio kan meepikken.
U ledigt uw mok koffie, raadpleegt uw horloge en ziet dat het tijd wordt om stilaan richting werk te rijden. De kindjes gaan boven hun tandjes poetsen en komen daarna weer naar beneden, waar ze hun jas en schoeisel aantrekken. Acht uur. Zoals steeds weer perfect op tijd!
En dan nu de werkelijkheid?
Drie kwartier nadat u de door merg en been gaande gebleir van de alarmwekker het zwijgen heeft opgelegd met een flinke mep, krijgt u een ellenboogstoot van uw partner. U schrikt wakker en vraagt zich meteen af hoe het mogelijk is om gewoon door te slapen met dat enorme gekrijs dat vanuit de kinderkamer komt.
U beseft dat het alweer krap zal worden om op tijd te zijn, schiet zich naar de badkamer waarbij u uw teen stoot tegen een poot van het bed. Een half kattenwasje moet voldoende zijn, gezien de spruiten de slaapkamer onderhand aan het verbouwen zijn. U grijpt hen bij hun nekvel, sprint er de trap mee af en struikelt in de keuken over uw kat, plat op uw gezicht.
U parkeert uw nageslacht aan tafel, smijt wat ontbijtgranen en yoghurt in hun richting en zoekt zich te pletter naar brood voor hun lunch dat er niet is. Uw kat krabt onophoudelijk aan uw broekspijp. U zet gauw koffie en voor u naar de bakker spurt, blust u het brandje dat ontstaan is door het gevecht om het laatste potje yoghurt door als een ware Salomon het onding in de vuilbak te flikkeren. U waarschuwt beide partijen op te houden, op straffe van een embargo op snoepgoed. De jongste knikt beteuterd en kletst - om het goed te maken - de fles melk tegen het linoleum. De oudste vraagt wat een embargo is.
U trekt de voordeur open en smijt uw kat die blijkbaar niet kan beslissen of ze nu binnen of buiten wil vertoeven met een grote boog zo’n drie wijken verder.
Teruggekomen van de overvolle bakker, laat u uw kat weer binnen, giet u zichzelf een kop koffie uit die u toch nooit zal kunnen leegdrinken, waarna u zich aan tafel smijt. U belegt het verse brood met dingen waarvan uw spruiten u onophoudelijk zeurend verzekeren dat ze het niet lusten. De kat maauwt u de oren van het hoofd. Het nieuws gaat in stukken en brokken aan u voorbij.
Als de kroost gegeten heeft, kleedt u hen aan. Wanneer het laatste knoopje dicht is, komt uw partner naar beneden, die hen zuchtend weer uitkleedt, waarna ze beide outfits van kind verwisselt.
U ruimt de tafel af (waarbij u tussen de ijskast en de tafel nog eens over de kat flikkert) en overweegt om nieuw servies aan te schaffen, zodat u alles gewoon vlotjes in de vuilnisbak kan keilen. Vuilnisbakken? Juist, die moeten ook nog buiten. U neemt beide zakken ter hand, die uiteraard scheuren en vloekt. U raadpleegt uw horloge en constateert een half uur vertraging. U sommeert uw kinderen om snel jas en schoenen aan te trekken.
Na het kwartier dat u nodig had om uw huisvuil in nieuwe zakken te duwen, treft u uw kindertjes aan zonder jas en in nog steeds ongeschoeide toestand. Sterker nog: beiden zijn weer half uitgekleed. Logisch, want hun sokken en onderbroek hadden ze nodig om de kat aan te kleden.
U buigt het hoofd, telt opnieuw een half uur bij uw vertraging en huilt zachtjes.