Het land waar morgen niet bestaat
Verhaal. Winnend verhaal zelfs. Geen Coltruiblog, edoch een verhaal zoals ik ze graag altijd zou blijven kunnen schrijven... Enjoy, of ook niet!
Gunar zat op een baal stro, beide ellebogen op de knieën gesteund en het hoofd tussen zijn samengebonden handen. Zijn helrode haren hingen in slierten langs zijn slapen en zijn mond en mantel waren besmeurd met geronnen bloed. Tranen rolden van zijn wangen en tikten tussen zijn voeten in het stro dat de enige vorm van comfort vormde in de donkere cel.
Wat had ik dan moeten doen? Ik moet toch ook eten? En wat kan één miezerig klotenbrood die rijke bakker nu schelen! Hij snotterde en bij een poging zijn geschaafde neus af te vegen aan zijn pols, voelde hij het zoute snot in zijn kapotte neus snijden. Ga je koperstukken verdienen, zeggen ze dan. Ja, makkelijk gezegd… Ze zullen mij zien komen: veertien jaar en geen ouders meer - allebei veroordeelde moordenaars... Moeder... Wat kon ze taarten bakken en hoe dikwijls had ze hem met de houten lepel op de vingers getikt omdat hij het niet laten kon om met zijn tengels in het beslag te graaien. En vader ! Steeds weer kwam hij me met een samenzweerderige knipoog een stuk van de beruchte taart geven – moeder werd er razend om! Moeder...
Gunar werd abrupt uit zijn overpeinzingen gehaald door het gerinkel van de sleutelbos van een bewaker die op zijn cel af kwam. Hij herkende de bewaker als degene die hem een vuistslag verkocht had, toen hij zich verzette tegen zijn arrestatie – keihard en recht op de neus. Tussen diens zwarte baard en snor kon Gunar een spottende grijns ontwaren en de twinkeling in zijn tot spleetjes geknepen ogen verrieden leedvermaak. Gunar wendde het hoofd af en moest nogmaals de stekende pijn in zijn gezwollen neus verbijten toen hij zijn gezicht weer droog wreef - hij wilde de bewaker niet prijsgeven dat hij had zitten huilen als een klein kind.
‘Kom op jankerd, sta recht!’ blafte de bewaker. ‘De rechter wacht op je. Ik hoop dat ze een passende straf uitspreken voor vuile vingergrage ratten als jij!’ hoonde de man en stak een sleutel in het slot van Gunars cel. De celdeur knarste open.
‘Na u, o koning der dieven!’ zei de bewaker. Hij maakte een potsierlijk buiginkje en met een zwier van zijn arm wees hij de te volgen richting aan. Aarzelend passeerde Gunar de bewaker en net toen hij er voorbij was, sloeg de bewaker Gunar vol in de rug met de zijkant van zijn rechterarm. Gunar smakte tegen de grond en kon maar net vermijden dat hij op zijn gezicht viel.
‘Sta op, luilak!’ spuwde baardmans en met de tong uit de mond trapte hij nog eens venijnig na op Gunars achterste. Gunar opende de ogen, zag witte lichtjes ronddraaien in het donker en kon na veel moeite overeind krabbelen onder triomfantelijk hoongelach van zijn bewaker – gelach dat vaag uit de verte leek te komen.
Met de tanden op elkaar strompelde hij voor zijn nonchalant fluitende bewaker uit. Hij herkende het deuntje:
Vuile dief, gij snel van hand, wat zijn we blij dat gij nu gaat!
Morgen gaat ge naar het land, het land waar morgen niet bestaat.
Gunars adem stokte. Hij bleef als versteend staan. Nee! Dát heb ik toch niet verdiend?
Het gefluit hield op. ‘Doorlopen hoerenjong!’ klonk het vervaarlijk achter Gunar.
Tussen de graven van het eiland hielpen alle mannen en vrouwen mee met het treffen van de voorbereidingen voor het feest. De mannen hakten hout en maakten er een grote stapel van om later de stukken wild op te braden. De vrouwen versierden tientallen tafeltjes met kleurige wilde bloemen. Op de grootste tafel die in het midden stond lagen stukken rauw vlees, verse vis en gebak. Er omheen stonden grote kuipen bier en wijn. Er heerste een opperbeste stemming. De ouders grapten en grolden en de kinderen van het eiland speelden joelend tikkertje tussen de graven.
Een oude, magere vrouw zat geknield bij een graf, blies het stof van de gedenksteen, nam de wilde bloemen van het graf en schikte ze er rondom in een cirkel. Ze richtte haar tranende ogen ten hemel en prevelde ‘Was het maar gisteren…’.
‘Beklaagde, nader!’ galmde het door de grote zaal. Gunar, wiens handen ondertussen waren losgemaakt, stak met de vingers van beide handen zijn rossige haren achter de oren zodat zijn sproetige gezicht tevoorschijn kwam. Met rechte rug en kin vooruit trad hij richting de rechter en de raadsleden. Als ik moet gaan, ga ik met opgeheven hoofd - net zoals pa en ma toen deden…
‘Iedereen kent het spreekwoord van de appel en de boom, welnu, hier hebben we nogmaals het bewijs hiervan,’ sprak de rechter. ‘Deze jongeman wordt hierbij in beschuldiging gesteld van diefstal van een groot roggebrood ter waarde van twee koperstukken. Wiens handen sneller zijn dan het verstand, moet hoognodig gestraft worden!’ zei hij en richtte zich naar de raad. ‘Geachte raadsleden,’ vervolgde hij, ‘deze jongen heeft nooit het goede voorbeeld gekend …’
Gunar barstte bijna van woede bij deze woorden en hoorde niks meer van wat volgde.
Klootzakken! Vader en moeder waren onschuldig, zij hebben helemaal niemand vermoord! Daarvoor steek ik mijn hand in het vuur!
‘…doch vraag ik u om geen rekening te houden met de slechte invloed die de ouders ongetwijfeld gehad hebben. U mag nu beraadslagen.’
Gunar zag hoe de zes raadsleden een kringetje vormden en begonnen te fluisteren. Weer hoorde hij in gedachten het wijsje dat zijn bewaker gefloten had, toen ze de lange gang naar de zaal doorliepen… Verbannen worden naar het land waar morgen niet bestaat… De rechter die de vorige ambtstermijn bekleedde, had een brouwsel samengesteld dat werd toegediend aan de veroordeelden. Er werd gefluisterd dat enkel de geest werd verbannen, terwijl het lichaam achterbleef. Het recept van het brouwsel zou bewaard worden in een kluis, enkel toegankelijk voor de enige praktiserende rechter. Niemand kende tevens de precieze aard van de straf, maar iedereen was het er evenwel roerend over eens dat het gruwelijk moest zijn. Zij die de straf ondergaan hadden, beweerden zich er niets meer van te herinneren en spraken er dus nooit over, maar iedereen wist dat dat gelogen was. Ze dúrfden er gewoonweg niet over praten!
De raad hoefde niet lang te discussiëren. Een dikke, kale man met een hazenlip van waaronder één gele reuzentand naar rechts krulde, als wilde die vluchten voor ’s mans onwelriekende adem, gaf de andere raadsleden het teken dat ze weer mochten gaan zitten. Hij keerde zich naar de rechter en met de vuist voor de mond en één hand op de rug, schraapte hij een rochel uit zijn keel.
‘Wij zijn tot een besluit gekomen, rechter.’
‘Hoe luidt uw strafmaat?’ vroeg de rechter gewichtig. De voorzitter antwoordde: ‘De raad heeft besloten de beschuldigde te verbannen naar Ijeir.’
Gunar sperde de ogen open vol ongeloof en voelde elke ader in zijn hoofd bonzen.
Dit kan niet! Dit mág gewoon niet!
‘En hoe lang zal de beklaagde uit onze gemeenschap verstoten blijven?’ wilde de rechter weten. ‘Van in den beginne!’ klonk het antwoord.
Gunar lag onder een van de duizenden glazen koepels die de enorme ruimte telde. Alles werd warm in zijn hoofd. Hij had net een krachtig, bitter brouwsel toegediend gekregen, waarvan hij de smaak niet kon thuisbrengen. Alles werd hoe langer hoe donkerder en hij zag de wazige gezichten van de zes raadsleden, die hem voorovergebogen toegrijnsden, vervormen tot een bubbelend, reuzengezicht met één afzichtelijke gele slagtand. Alles kolkte steeds sneller en toen het laatste sliertje tussen zijn zware oogleden geglipt was, had de wereld hem verlaten…
‘Oos karna mir-nei,
oos karna mir-nei…’
Het monotone gezang bracht Gunar weer bij bewustzijn, hoewel het van erg ver scheen te komen en erg dof klonk.
‘Oos karna mir-nei,
oos karna mir-nei…’
Hij deed een poging om zijn ogen te openen. Meteen werd hij gewaar hoe iets donkers en kouds zijn ogen irriteerde en in een reflex trachtte hij ze schoon te vegen. Zijn rechterarm zat echter vast. Zo ook zijn linkerhand. Toen hij vaststelde dat hij ook zijn benen niet kon bewegen, raakte hij in paniek. Hij schreeuwde het uit, althans dat was de bedoeling, want toen hij zijn mond opende, moest hij die meteen weer sluiten, wilde hij niet verstikt worden door een korrelige materie die naar aarde smaakte. Geen lucht – ik moet hieruit komen – verdomme, iemand, help me! Hij woelde en worstelde en toen hij voelde dat de aarde die op hem lag los was, slaagde hij erin om beide handen boven de grond te krijgen, maar zijn longen ontploften bijna.
‘Oos karna mir-nei,
oos ka…’
Het gezang hield abrupt op, ging over in kreten van blijdschap en Gunar voelde hoe er aan zijn handen werd getrokken. Net toen hij dacht dat hij zand zou moeten ademen, werd hij naar boven gehesen – eindelijk lucht. Het duurde even voor Gunar weer op adem kwam, maar toen hij het zand uit zijn ogen gewreven had, merkte hij dat hij zich op een kerkhof bevond, omgeven door mensen die hem bijna allemaal bekend voorkwamen.
Waar… Hoe kan… Dit kan niet, ik droom!
Hij wreef zich nogmaals in de ogen. Verbijsterd keek hij naar alle blije gezichten en de rijkelijk versierde tafels die tussen de graven stonden.
Dat drankje… Hallucineer ik? Droom ik? Dit is niet echt!
Een mager grijs dametje strompelde op hem af, beide handen op de mond en een uitdrukking van ongeloof in haar ogen. Gunar stond perplex – hij werd helemaal warm van binnen. Hij opende zijn mond en trachtte een woord uit te brengen, doch hij voelde zand in zijn keel kriebelen, schraapte zijn keel en spuwde de opgehaalde oogst zo ver hij kon. Met de muis van zijn hand veegde hij zijn lippen schoon en bij die beweging fluisterde iets in zijn achterhoofd dat er iets niet klopte… Hij had een baard! Het oude vrouwtje omarmde hem stevig terwijl de tranen over haar wangen rolden.
‘Gunar mijn jongen… Je moest eens weten hoe lang we naar jou verlangd hebben – mijn zoon – onze eerste zoon!’ lachte ze door haar tranen heen. Over zijn moeders schouder heen, zag Gunar de menigte plaats maken voor een man die - terwijl hij naderde – iedereen fier de hand schudde.
Iedereen zei iets als ‘Proficiat met je eerstgeborene’ of een schunnig ‘Ben jij niet nog wat te oud om vader te worden?’
‘Vader!’ riep Gunar toen hij de man herkende. Ook door hem werd hij innig omhelsd.
‘Jongen toch!’ zei de vader en meer kreeg hij niet voorbij de brok in zijn keel. Hij staakte de omhelzing en greep met beide handen de schouders van zijn zoon beet. Tenslotte vermande hij zich en wees naar de dorpelingen die nu schaapachtig stonden te kijken.
‘Deze mensen zijn ook blij met je geboorte en hebben meegeholpen met het voorbereiden van jouw eerste feest! Alles staat gereed, laat ons feesten!’ zei moeder, waarna luid gejuich losbarstte. De grote houtstapel werd aangestoken, het wildbraad werd aangevoerd en de bekers werden gevuld. Iedereen had zijn taak, behalve Gunars ouders – die bleven bij hun zoon staan. Gunar begreep er nog steeds niets van. Waarom kom ik uit een graf? Waar ben ik in ’s hemelsnaam? En wat doen ma en pa hier? Zouden ze… Hij besloot het erop te wagen.
‘Vader… Ik heb jullie nog zoveel te vragen. Hebben jullie toen echt…’
‘Later, mijn zoon. Later…’ antwoordde de oude man met een mistroostig lachje en hij draaide zich om teneinde zich te vervoegen bij de feestende menigte. Gunar keek hem na en wendde zijn blik toen hoopvol op zijn moeder.
‘Fris je eerst wat op,’ zei ze echter zonder in te gaan op de onuitgesproken vraag. ‘Je zit onder het zand. Daar staat een teil met ongebruikt regenwater, ga maar, het zal je deugd doen.’ Toen ook Gunars moeder aanstalten maakte om terug naar de feestvierders te gaan, protesteerde Gunar: ‘Maar moeder…’
‘Later, jongen. Alles op zijn tijd. Eerst het feest!’ Ze knipoogde en ging heen.
Gunar bleef met een beteuterd gezicht achter. Toen hij zich boog over de teil koud water, schrok hij bij het zien van zijn eigen weerspiegeling. De baard die hij reeds eerder bemerkte, was veel langer dan hij gedacht had en een grote kale plek ontsierde zijn hoofd. Hij probeerde één van de weinig overgebleven plukken kort haar voor zijn ogen te trekken en merkte dat hij zo grijs was als een duif. Hoe oud zou ik nu zijn?
Hij besloot nu niet verder bij al die raadsels stil te staan. Hij wilde de feestvierders niet te lang laten wachten. Hij trok zijn mantel en kleren uit, waste zich snel en haastte zich weer naar buiten, waar het feest tot in de late uurtjes doorging…
Gunar opende de ogen en herkende de gele tand meteen door de glazen koepel heen.
‘Daar is hij weer!’ riep de raadsvoorzitter. ‘Open de koepel en help hem overeind!’ Meteen tilden twee kerels de zware koepel op, waarna twee anderen Gunar van onder de koepel hielpen. Een raar gevoel van spijt en heimwee bekroop Gunar, een gevoel dat hij helemaal niet wist te rechtvaardigen. Het was bizar…
‘Je straf zit erop’, zei de voorzitter van de raad. ‘Bij een volgend misdrijf zal je er niet zo gemakkelijk vanaf komen, hoor je? Je hebt nu zelf gezien wat het is om tussen criminelen te leven – hopelijk zal deze ervaring je op het rechte pad houden.’
Gunar zei niets. Hij wist dat hij weg geweest was, verbannen naar het eiland der verstotelingen, maar wat had hij er in Gods naam allemaal ervaren?
‘Ik hoop dat ik je hier nooit meer zie, begrepen?’ vroeg de man terwijl hij de deur die naar de geplaveide straat leidde voor Gunar openhield.
‘Ja, meneer’, antwoordde Gunar en hij liep helemaal in de war de straat op. Een eindje verderop liet hij zich tegen een gevel op de grond zakken. Toen hij gemakkelijk zat, zag hij aan de overkant van de straat de bakkerij waar hij eertijds dat brood had gestolen. Dezelfde broodmanden stonden nog steeds voor zijn winkel.
Toen hij merkte dat hij met zijn laarzen op zijn mantel trapte, trok hij die van onder zijn schoeisel. De zoom van de mantel was los en er zat een samengevouwen bundel papier in. De wenkbrauwen fronsend, vouwde Gunar de papieren open en verbaasd ontdekte hij middenin een amulet die hij nergens van herkende. Hij woog het even in z’n hand en constateerde dat de ronde amulet uit zuiver goud vervaardigd moest zijn. Vervolgens nam hij het sierstuk in de andere hand. Hij ontdekte dat er een grashalm in geëtst was – het symbool dat zijn familie reeds eeuwen geleden was toegekend. Toen bekeek hij het beduimelde boekje. De vellen papier leken te zijn beschreven. Nieuwsgierig begon hij te lezen.
Week 2
Ik ben nu twee weken op het eiland Ijeir en heb besloten een dagboek te beginnen. Het is me opgevallen dat ik me elke dag opnieuw niks meer herinner van de dag ervoor, daarom dit schrijven, om toch nog enige houvast te hebben. Van mijn verleden in die andere wereld kan ik me alles nog haarscherp voor de geest halen… Ik neem me voor om elke ochtend voor het slapen gaan het dagboek onder mijn mantel te leggen, om te voorkomen dat ik ’s anderdaags zou vergeten dat ik ermee begonnen ben. Ik ben dolblij dat ik mijn ouders teruggevonden heb, echt, maar ze zijn zo oud geworden… Toen ik hen dit voorzichtig voorlegde, leken ze dit als een compliment op te vatten! De buren hebben een dochtertje dat ‘al erg klein is’ zoals ze zeggen en daar zijn ze helemaal niet opgetogen over. Ik heb echt geen flauw idee wat deze mensen bezielt – ik kan er kop noch staart aan krijgen. Ik moet hier nog aan vele dingen wennen. Men gaat hier bijvoorbeeld ’s ochtends bij het eerste kraaien van de haan slapen, en ’s avonds staat men op?! Men gebruikt de term ‘gisteren’ om de dag die komen moet aan te duiden en ‘morgen’ is de dag die om is.
In ieder geval schijnt iedereen mij in de gemeenschap te aanvaarden en dat stemt mij tot blijdschap. Het enige dat op mijn lever ligt is de vraag, dé vraag die reeds vanaf mijn ‘geboorte’ hier op het eiland op mijn lippen brandt: hadden vader en moeder écht gedaan waarvoor ze veroordeeld waren? Ik durf het hen niet meer vragen…
Verwonderd wendde hij traag zijn blik van het papier en staarde de verte in. Heb ik dit geschreven? Hij herkende het lelijke handschrift dat hem eigen was en kwam tot het besef dat hij dit wel móest hebben neergepend. Dan had hij zijn ouders gezien op Ijeir! Koortsachtig las hij verder.
Week 8
Het is hier herfst nu. Blijkbaar stemt dit jaargetijde de mensen vrolijker dan de zomer? Een fikse regenbui lijkt de mensen hier deugd te doen en het feit dat de regen ook bij mij vreugde in mijn hart brengt, maakt me bang. Iedereen is druk in de weer om een nieuwe ‘geboorte’ voor te bereiden op het kerkhof, enkel onze buren zijn afwezig – zij verkozen om afscheid te nemen van hun baby, hetgeen iedereen natuurlijk begreep. Iedereen, behalve ik…
Week 9
De baby van de buren is heengegaan. De ouders mochten hun kindje nog een laatste maal knuffelen voordat de medicijnvrouwen het aanbrachten in de moederschoot. Volgens vader zou het 42 weken duren vooraleer de dikke buik van de buurvrouw – het enige bewijs dat hun kind bestaan heeft – zou verdwijnen. Iedereen op het eiland leeft met het echtpaar mee, het is echt heel indrukwekkend.
Week 21
Eindelijk heb ik het antwoord op dé vraag gekregen… Moeder zat deze avond buiten te breien en vader had zich net klaargemaakt om naar het veld te gaan. Toen hij zijn linnen doek uit zijn broek haalde om het stukje ei van zijn neus te vegen, een koppig restje van het ontbijt, viel er iets uit zijn zak. Ik zag hoe vaders angstige blik die van moeder kruiste en vroeg nieuwsgierig wat dat metalen voorwerp was.
Weer keken vader en moeder elkaar aan en namen me mee naar binnen en zeiden me te gaan zitten. Wat blijkt nu? Het ding dat mijn vader steeds bij zich draagt, is een amulet, een erfstuk van de familie. Niet alleen duur, maar ook van een enorme emotionele waarde. De dag dat vader zou sterven, zou ik het in mijn bezit krijgen om later op mijn beurt door te geven aan mijn eigen nakomelingen als mijn eigen tijd gekomen zou zijn.
Op een nacht – toen ze nog in de andere wereld vertoefden – betrapte vader een inbreker in ons huis, die net de amulet in zijn buidel deed glippen. Naar verluidt raakte vader toen slaags met de dief en de laatste moest het onderspit delven toen hij bij een val zijn hoofd dodelijk verwondde aan de stapel houtblokken voor de haard. Bij hun proces hebben ze – net zoals ik – geen enkele kans gekregen om zich te verdedigen. Ze zijn veroordeeld tot 200 levenscycli op Ijeir.
Ik heb me nog nooit zo gevoeld: opgelucht en kwaad tegelijk. Mijn ouders zijn onschuldig, maar ze werden wel zwaar gestraft…
Onschuldig! Hij had het aldoor geweten! Gunar kreeg het warm en weer stak dat onverklaarbare gevoel van heimwee de kop op. Hij kneep even in de amulet en bladerde snel naar de laatste pagina’s van de bundel.
Week 987
Ongelooflijk hoe mijn ouders en ik zijn veranderd als ik bovenstaande teruglees… Ik heb mijn rode haarkleur terug. Vader begint er weer uit te zien als de vader die ik herinner uit de andere wereld, en ook moeder ziet er veel jonger uit. Raar genoeg vind ik oude vrouwen op het eiland mooier en aantrekkelijker dan jonge… Volgens mijn berekeningen heb ik hier nog een goede 20 jaar te verblijven…Van mij mag het hier nog lang duren!
rikkelt is mein vrient wij heeft heben samen met de bal gespeelt en ik ben gewonne en hij is verloore
ik ben verlieft ik ben verlieft op Hielda maar dat mag ik tege niemant zegge
zot
Op de laatste pagina stond in een sierlijk rond handschrift, dat hij herkende als dat van zijn moeder ‘Week 2004’ en daaronder: ‘Vandaag ben je gestorven. Blijf aan ons denken in die andere wereld. We houden van je… Moeder en vader.’
Gunar stond op, bekeek vluchtig de amulet, glimlachte eens en stapte vastberaden op de brodenmand van de bakker af.
Gunar zat op een baal stro, beide ellebogen op de knieën gesteund en het hoofd tussen zijn samengebonden handen. Zijn helrode haren hingen in slierten langs zijn slapen en zijn mond en mantel waren besmeurd met geronnen bloed. Tranen rolden van zijn wangen en tikten tussen zijn voeten in het stro dat de enige vorm van comfort vormde in de donkere cel.
Wat had ik dan moeten doen? Ik moet toch ook eten? En wat kan één miezerig klotenbrood die rijke bakker nu schelen! Hij snotterde en bij een poging zijn geschaafde neus af te vegen aan zijn pols, voelde hij het zoute snot in zijn kapotte neus snijden. Ga je koperstukken verdienen, zeggen ze dan. Ja, makkelijk gezegd… Ze zullen mij zien komen: veertien jaar en geen ouders meer - allebei veroordeelde moordenaars... Moeder... Wat kon ze taarten bakken en hoe dikwijls had ze hem met de houten lepel op de vingers getikt omdat hij het niet laten kon om met zijn tengels in het beslag te graaien. En vader ! Steeds weer kwam hij me met een samenzweerderige knipoog een stuk van de beruchte taart geven – moeder werd er razend om! Moeder...
Gunar werd abrupt uit zijn overpeinzingen gehaald door het gerinkel van de sleutelbos van een bewaker die op zijn cel af kwam. Hij herkende de bewaker als degene die hem een vuistslag verkocht had, toen hij zich verzette tegen zijn arrestatie – keihard en recht op de neus. Tussen diens zwarte baard en snor kon Gunar een spottende grijns ontwaren en de twinkeling in zijn tot spleetjes geknepen ogen verrieden leedvermaak. Gunar wendde het hoofd af en moest nogmaals de stekende pijn in zijn gezwollen neus verbijten toen hij zijn gezicht weer droog wreef - hij wilde de bewaker niet prijsgeven dat hij had zitten huilen als een klein kind.
‘Kom op jankerd, sta recht!’ blafte de bewaker. ‘De rechter wacht op je. Ik hoop dat ze een passende straf uitspreken voor vuile vingergrage ratten als jij!’ hoonde de man en stak een sleutel in het slot van Gunars cel. De celdeur knarste open.
‘Na u, o koning der dieven!’ zei de bewaker. Hij maakte een potsierlijk buiginkje en met een zwier van zijn arm wees hij de te volgen richting aan. Aarzelend passeerde Gunar de bewaker en net toen hij er voorbij was, sloeg de bewaker Gunar vol in de rug met de zijkant van zijn rechterarm. Gunar smakte tegen de grond en kon maar net vermijden dat hij op zijn gezicht viel.
‘Sta op, luilak!’ spuwde baardmans en met de tong uit de mond trapte hij nog eens venijnig na op Gunars achterste. Gunar opende de ogen, zag witte lichtjes ronddraaien in het donker en kon na veel moeite overeind krabbelen onder triomfantelijk hoongelach van zijn bewaker – gelach dat vaag uit de verte leek te komen.
Met de tanden op elkaar strompelde hij voor zijn nonchalant fluitende bewaker uit. Hij herkende het deuntje:
Vuile dief, gij snel van hand, wat zijn we blij dat gij nu gaat!
Morgen gaat ge naar het land, het land waar morgen niet bestaat.
Gunars adem stokte. Hij bleef als versteend staan. Nee! Dát heb ik toch niet verdiend?
Het gefluit hield op. ‘Doorlopen hoerenjong!’ klonk het vervaarlijk achter Gunar.
Tussen de graven van het eiland hielpen alle mannen en vrouwen mee met het treffen van de voorbereidingen voor het feest. De mannen hakten hout en maakten er een grote stapel van om later de stukken wild op te braden. De vrouwen versierden tientallen tafeltjes met kleurige wilde bloemen. Op de grootste tafel die in het midden stond lagen stukken rauw vlees, verse vis en gebak. Er omheen stonden grote kuipen bier en wijn. Er heerste een opperbeste stemming. De ouders grapten en grolden en de kinderen van het eiland speelden joelend tikkertje tussen de graven.
Een oude, magere vrouw zat geknield bij een graf, blies het stof van de gedenksteen, nam de wilde bloemen van het graf en schikte ze er rondom in een cirkel. Ze richtte haar tranende ogen ten hemel en prevelde ‘Was het maar gisteren…’.
‘Beklaagde, nader!’ galmde het door de grote zaal. Gunar, wiens handen ondertussen waren losgemaakt, stak met de vingers van beide handen zijn rossige haren achter de oren zodat zijn sproetige gezicht tevoorschijn kwam. Met rechte rug en kin vooruit trad hij richting de rechter en de raadsleden. Als ik moet gaan, ga ik met opgeheven hoofd - net zoals pa en ma toen deden…
‘Iedereen kent het spreekwoord van de appel en de boom, welnu, hier hebben we nogmaals het bewijs hiervan,’ sprak de rechter. ‘Deze jongeman wordt hierbij in beschuldiging gesteld van diefstal van een groot roggebrood ter waarde van twee koperstukken. Wiens handen sneller zijn dan het verstand, moet hoognodig gestraft worden!’ zei hij en richtte zich naar de raad. ‘Geachte raadsleden,’ vervolgde hij, ‘deze jongen heeft nooit het goede voorbeeld gekend …’
Gunar barstte bijna van woede bij deze woorden en hoorde niks meer van wat volgde.
Klootzakken! Vader en moeder waren onschuldig, zij hebben helemaal niemand vermoord! Daarvoor steek ik mijn hand in het vuur!
‘…doch vraag ik u om geen rekening te houden met de slechte invloed die de ouders ongetwijfeld gehad hebben. U mag nu beraadslagen.’
Gunar zag hoe de zes raadsleden een kringetje vormden en begonnen te fluisteren. Weer hoorde hij in gedachten het wijsje dat zijn bewaker gefloten had, toen ze de lange gang naar de zaal doorliepen… Verbannen worden naar het land waar morgen niet bestaat… De rechter die de vorige ambtstermijn bekleedde, had een brouwsel samengesteld dat werd toegediend aan de veroordeelden. Er werd gefluisterd dat enkel de geest werd verbannen, terwijl het lichaam achterbleef. Het recept van het brouwsel zou bewaard worden in een kluis, enkel toegankelijk voor de enige praktiserende rechter. Niemand kende tevens de precieze aard van de straf, maar iedereen was het er evenwel roerend over eens dat het gruwelijk moest zijn. Zij die de straf ondergaan hadden, beweerden zich er niets meer van te herinneren en spraken er dus nooit over, maar iedereen wist dat dat gelogen was. Ze dúrfden er gewoonweg niet over praten!
De raad hoefde niet lang te discussiëren. Een dikke, kale man met een hazenlip van waaronder één gele reuzentand naar rechts krulde, als wilde die vluchten voor ’s mans onwelriekende adem, gaf de andere raadsleden het teken dat ze weer mochten gaan zitten. Hij keerde zich naar de rechter en met de vuist voor de mond en één hand op de rug, schraapte hij een rochel uit zijn keel.
‘Wij zijn tot een besluit gekomen, rechter.’
‘Hoe luidt uw strafmaat?’ vroeg de rechter gewichtig. De voorzitter antwoordde: ‘De raad heeft besloten de beschuldigde te verbannen naar Ijeir.’
Gunar sperde de ogen open vol ongeloof en voelde elke ader in zijn hoofd bonzen.
Dit kan niet! Dit mág gewoon niet!
‘En hoe lang zal de beklaagde uit onze gemeenschap verstoten blijven?’ wilde de rechter weten. ‘Van in den beginne!’ klonk het antwoord.
Gunar lag onder een van de duizenden glazen koepels die de enorme ruimte telde. Alles werd warm in zijn hoofd. Hij had net een krachtig, bitter brouwsel toegediend gekregen, waarvan hij de smaak niet kon thuisbrengen. Alles werd hoe langer hoe donkerder en hij zag de wazige gezichten van de zes raadsleden, die hem voorovergebogen toegrijnsden, vervormen tot een bubbelend, reuzengezicht met één afzichtelijke gele slagtand. Alles kolkte steeds sneller en toen het laatste sliertje tussen zijn zware oogleden geglipt was, had de wereld hem verlaten…
‘Oos karna mir-nei,
oos karna mir-nei…’
Het monotone gezang bracht Gunar weer bij bewustzijn, hoewel het van erg ver scheen te komen en erg dof klonk.
‘Oos karna mir-nei,
oos karna mir-nei…’
Hij deed een poging om zijn ogen te openen. Meteen werd hij gewaar hoe iets donkers en kouds zijn ogen irriteerde en in een reflex trachtte hij ze schoon te vegen. Zijn rechterarm zat echter vast. Zo ook zijn linkerhand. Toen hij vaststelde dat hij ook zijn benen niet kon bewegen, raakte hij in paniek. Hij schreeuwde het uit, althans dat was de bedoeling, want toen hij zijn mond opende, moest hij die meteen weer sluiten, wilde hij niet verstikt worden door een korrelige materie die naar aarde smaakte. Geen lucht – ik moet hieruit komen – verdomme, iemand, help me! Hij woelde en worstelde en toen hij voelde dat de aarde die op hem lag los was, slaagde hij erin om beide handen boven de grond te krijgen, maar zijn longen ontploften bijna.
‘Oos karna mir-nei,
oos ka…’
Het gezang hield abrupt op, ging over in kreten van blijdschap en Gunar voelde hoe er aan zijn handen werd getrokken. Net toen hij dacht dat hij zand zou moeten ademen, werd hij naar boven gehesen – eindelijk lucht. Het duurde even voor Gunar weer op adem kwam, maar toen hij het zand uit zijn ogen gewreven had, merkte hij dat hij zich op een kerkhof bevond, omgeven door mensen die hem bijna allemaal bekend voorkwamen.
Waar… Hoe kan… Dit kan niet, ik droom!
Hij wreef zich nogmaals in de ogen. Verbijsterd keek hij naar alle blije gezichten en de rijkelijk versierde tafels die tussen de graven stonden.
Dat drankje… Hallucineer ik? Droom ik? Dit is niet echt!
Een mager grijs dametje strompelde op hem af, beide handen op de mond en een uitdrukking van ongeloof in haar ogen. Gunar stond perplex – hij werd helemaal warm van binnen. Hij opende zijn mond en trachtte een woord uit te brengen, doch hij voelde zand in zijn keel kriebelen, schraapte zijn keel en spuwde de opgehaalde oogst zo ver hij kon. Met de muis van zijn hand veegde hij zijn lippen schoon en bij die beweging fluisterde iets in zijn achterhoofd dat er iets niet klopte… Hij had een baard! Het oude vrouwtje omarmde hem stevig terwijl de tranen over haar wangen rolden.
‘Gunar mijn jongen… Je moest eens weten hoe lang we naar jou verlangd hebben – mijn zoon – onze eerste zoon!’ lachte ze door haar tranen heen. Over zijn moeders schouder heen, zag Gunar de menigte plaats maken voor een man die - terwijl hij naderde – iedereen fier de hand schudde.
Iedereen zei iets als ‘Proficiat met je eerstgeborene’ of een schunnig ‘Ben jij niet nog wat te oud om vader te worden?’
‘Vader!’ riep Gunar toen hij de man herkende. Ook door hem werd hij innig omhelsd.
‘Jongen toch!’ zei de vader en meer kreeg hij niet voorbij de brok in zijn keel. Hij staakte de omhelzing en greep met beide handen de schouders van zijn zoon beet. Tenslotte vermande hij zich en wees naar de dorpelingen die nu schaapachtig stonden te kijken.
‘Deze mensen zijn ook blij met je geboorte en hebben meegeholpen met het voorbereiden van jouw eerste feest! Alles staat gereed, laat ons feesten!’ zei moeder, waarna luid gejuich losbarstte. De grote houtstapel werd aangestoken, het wildbraad werd aangevoerd en de bekers werden gevuld. Iedereen had zijn taak, behalve Gunars ouders – die bleven bij hun zoon staan. Gunar begreep er nog steeds niets van. Waarom kom ik uit een graf? Waar ben ik in ’s hemelsnaam? En wat doen ma en pa hier? Zouden ze… Hij besloot het erop te wagen.
‘Vader… Ik heb jullie nog zoveel te vragen. Hebben jullie toen echt…’
‘Later, mijn zoon. Later…’ antwoordde de oude man met een mistroostig lachje en hij draaide zich om teneinde zich te vervoegen bij de feestende menigte. Gunar keek hem na en wendde zijn blik toen hoopvol op zijn moeder.
‘Fris je eerst wat op,’ zei ze echter zonder in te gaan op de onuitgesproken vraag. ‘Je zit onder het zand. Daar staat een teil met ongebruikt regenwater, ga maar, het zal je deugd doen.’ Toen ook Gunars moeder aanstalten maakte om terug naar de feestvierders te gaan, protesteerde Gunar: ‘Maar moeder…’
‘Later, jongen. Alles op zijn tijd. Eerst het feest!’ Ze knipoogde en ging heen.
Gunar bleef met een beteuterd gezicht achter. Toen hij zich boog over de teil koud water, schrok hij bij het zien van zijn eigen weerspiegeling. De baard die hij reeds eerder bemerkte, was veel langer dan hij gedacht had en een grote kale plek ontsierde zijn hoofd. Hij probeerde één van de weinig overgebleven plukken kort haar voor zijn ogen te trekken en merkte dat hij zo grijs was als een duif. Hoe oud zou ik nu zijn?
Hij besloot nu niet verder bij al die raadsels stil te staan. Hij wilde de feestvierders niet te lang laten wachten. Hij trok zijn mantel en kleren uit, waste zich snel en haastte zich weer naar buiten, waar het feest tot in de late uurtjes doorging…
Gunar opende de ogen en herkende de gele tand meteen door de glazen koepel heen.
‘Daar is hij weer!’ riep de raadsvoorzitter. ‘Open de koepel en help hem overeind!’ Meteen tilden twee kerels de zware koepel op, waarna twee anderen Gunar van onder de koepel hielpen. Een raar gevoel van spijt en heimwee bekroop Gunar, een gevoel dat hij helemaal niet wist te rechtvaardigen. Het was bizar…
‘Je straf zit erop’, zei de voorzitter van de raad. ‘Bij een volgend misdrijf zal je er niet zo gemakkelijk vanaf komen, hoor je? Je hebt nu zelf gezien wat het is om tussen criminelen te leven – hopelijk zal deze ervaring je op het rechte pad houden.’
Gunar zei niets. Hij wist dat hij weg geweest was, verbannen naar het eiland der verstotelingen, maar wat had hij er in Gods naam allemaal ervaren?
‘Ik hoop dat ik je hier nooit meer zie, begrepen?’ vroeg de man terwijl hij de deur die naar de geplaveide straat leidde voor Gunar openhield.
‘Ja, meneer’, antwoordde Gunar en hij liep helemaal in de war de straat op. Een eindje verderop liet hij zich tegen een gevel op de grond zakken. Toen hij gemakkelijk zat, zag hij aan de overkant van de straat de bakkerij waar hij eertijds dat brood had gestolen. Dezelfde broodmanden stonden nog steeds voor zijn winkel.
Toen hij merkte dat hij met zijn laarzen op zijn mantel trapte, trok hij die van onder zijn schoeisel. De zoom van de mantel was los en er zat een samengevouwen bundel papier in. De wenkbrauwen fronsend, vouwde Gunar de papieren open en verbaasd ontdekte hij middenin een amulet die hij nergens van herkende. Hij woog het even in z’n hand en constateerde dat de ronde amulet uit zuiver goud vervaardigd moest zijn. Vervolgens nam hij het sierstuk in de andere hand. Hij ontdekte dat er een grashalm in geëtst was – het symbool dat zijn familie reeds eeuwen geleden was toegekend. Toen bekeek hij het beduimelde boekje. De vellen papier leken te zijn beschreven. Nieuwsgierig begon hij te lezen.
Week 2
Ik ben nu twee weken op het eiland Ijeir en heb besloten een dagboek te beginnen. Het is me opgevallen dat ik me elke dag opnieuw niks meer herinner van de dag ervoor, daarom dit schrijven, om toch nog enige houvast te hebben. Van mijn verleden in die andere wereld kan ik me alles nog haarscherp voor de geest halen… Ik neem me voor om elke ochtend voor het slapen gaan het dagboek onder mijn mantel te leggen, om te voorkomen dat ik ’s anderdaags zou vergeten dat ik ermee begonnen ben. Ik ben dolblij dat ik mijn ouders teruggevonden heb, echt, maar ze zijn zo oud geworden… Toen ik hen dit voorzichtig voorlegde, leken ze dit als een compliment op te vatten! De buren hebben een dochtertje dat ‘al erg klein is’ zoals ze zeggen en daar zijn ze helemaal niet opgetogen over. Ik heb echt geen flauw idee wat deze mensen bezielt – ik kan er kop noch staart aan krijgen. Ik moet hier nog aan vele dingen wennen. Men gaat hier bijvoorbeeld ’s ochtends bij het eerste kraaien van de haan slapen, en ’s avonds staat men op?! Men gebruikt de term ‘gisteren’ om de dag die komen moet aan te duiden en ‘morgen’ is de dag die om is.
In ieder geval schijnt iedereen mij in de gemeenschap te aanvaarden en dat stemt mij tot blijdschap. Het enige dat op mijn lever ligt is de vraag, dé vraag die reeds vanaf mijn ‘geboorte’ hier op het eiland op mijn lippen brandt: hadden vader en moeder écht gedaan waarvoor ze veroordeeld waren? Ik durf het hen niet meer vragen…
Verwonderd wendde hij traag zijn blik van het papier en staarde de verte in. Heb ik dit geschreven? Hij herkende het lelijke handschrift dat hem eigen was en kwam tot het besef dat hij dit wel móest hebben neergepend. Dan had hij zijn ouders gezien op Ijeir! Koortsachtig las hij verder.
Week 8
Het is hier herfst nu. Blijkbaar stemt dit jaargetijde de mensen vrolijker dan de zomer? Een fikse regenbui lijkt de mensen hier deugd te doen en het feit dat de regen ook bij mij vreugde in mijn hart brengt, maakt me bang. Iedereen is druk in de weer om een nieuwe ‘geboorte’ voor te bereiden op het kerkhof, enkel onze buren zijn afwezig – zij verkozen om afscheid te nemen van hun baby, hetgeen iedereen natuurlijk begreep. Iedereen, behalve ik…
Week 9
De baby van de buren is heengegaan. De ouders mochten hun kindje nog een laatste maal knuffelen voordat de medicijnvrouwen het aanbrachten in de moederschoot. Volgens vader zou het 42 weken duren vooraleer de dikke buik van de buurvrouw – het enige bewijs dat hun kind bestaan heeft – zou verdwijnen. Iedereen op het eiland leeft met het echtpaar mee, het is echt heel indrukwekkend.
Week 21
Eindelijk heb ik het antwoord op dé vraag gekregen… Moeder zat deze avond buiten te breien en vader had zich net klaargemaakt om naar het veld te gaan. Toen hij zijn linnen doek uit zijn broek haalde om het stukje ei van zijn neus te vegen, een koppig restje van het ontbijt, viel er iets uit zijn zak. Ik zag hoe vaders angstige blik die van moeder kruiste en vroeg nieuwsgierig wat dat metalen voorwerp was.
Weer keken vader en moeder elkaar aan en namen me mee naar binnen en zeiden me te gaan zitten. Wat blijkt nu? Het ding dat mijn vader steeds bij zich draagt, is een amulet, een erfstuk van de familie. Niet alleen duur, maar ook van een enorme emotionele waarde. De dag dat vader zou sterven, zou ik het in mijn bezit krijgen om later op mijn beurt door te geven aan mijn eigen nakomelingen als mijn eigen tijd gekomen zou zijn.
Op een nacht – toen ze nog in de andere wereld vertoefden – betrapte vader een inbreker in ons huis, die net de amulet in zijn buidel deed glippen. Naar verluidt raakte vader toen slaags met de dief en de laatste moest het onderspit delven toen hij bij een val zijn hoofd dodelijk verwondde aan de stapel houtblokken voor de haard. Bij hun proces hebben ze – net zoals ik – geen enkele kans gekregen om zich te verdedigen. Ze zijn veroordeeld tot 200 levenscycli op Ijeir.
Ik heb me nog nooit zo gevoeld: opgelucht en kwaad tegelijk. Mijn ouders zijn onschuldig, maar ze werden wel zwaar gestraft…
Onschuldig! Hij had het aldoor geweten! Gunar kreeg het warm en weer stak dat onverklaarbare gevoel van heimwee de kop op. Hij kneep even in de amulet en bladerde snel naar de laatste pagina’s van de bundel.
Week 987
Ongelooflijk hoe mijn ouders en ik zijn veranderd als ik bovenstaande teruglees… Ik heb mijn rode haarkleur terug. Vader begint er weer uit te zien als de vader die ik herinner uit de andere wereld, en ook moeder ziet er veel jonger uit. Raar genoeg vind ik oude vrouwen op het eiland mooier en aantrekkelijker dan jonge… Volgens mijn berekeningen heb ik hier nog een goede 20 jaar te verblijven…Van mij mag het hier nog lang duren!
rikkelt is mein vrient wij heeft heben samen met de bal gespeelt en ik ben gewonne en hij is verloore
ik ben verlieft ik ben verlieft op Hielda maar dat mag ik tege niemant zegge
zot
Op de laatste pagina stond in een sierlijk rond handschrift, dat hij herkende als dat van zijn moeder ‘Week 2004’ en daaronder: ‘Vandaag ben je gestorven. Blijf aan ons denken in die andere wereld. We houden van je… Moeder en vader.’
Gunar stond op, bekeek vluchtig de amulet, glimlachte eens en stapte vastberaden op de brodenmand van de bakker af.
07-'11 Peter de Lepralijder
04-'11 What's in a nerd
Reacties
Een wazig verhaal, waar ik geen touw aan vast kan knopen soms. Maar wel mooi geschreven!
Jammer 
Breng eens een boek uit
Geweldig weer 
[Reactie gewijzigd op zondag 24 april 2011 22:27]
verkeerde knop 
[Reactie gewijzigd op zondag 24 april 2011 22:27]
Toch ben je een schat
Erg mooi bedacht dit verhaal! 
Prachtig verhaal!
Wat een fantasie! Respect!
Wat een fantasie! Respect!
Wow... Een beetje vreemd, maar met een 2 keer lezen begint het langzaam maar zeker duidelijk te worden. Tof geschreven!
Aw, mooi andersom denken.
Ik vraag me af hoe lang zijn ouders te gaan hebben. Zou mooi lullig zijn als 'ie voor 10 jaar werd 'verbannen' en zijn ouders komen na 1 jaar terug.
Echt goed geschreven, ijzersterk verhaal
Erg leuk verhaal
Ik (en waarschijnlijk vele anderen met mij) wil meer van dit !! 
Zeer leuk en goed geschreven een leuke zet om iets te lezen waar tijd anders verloopt dan dat je denk.
Mooi geschreven!
Wel heel wazig maar dat maakt niet uit, dat maakt het juist spannender! Kan er nog een vervolg komen?
Zijn ouders zijn voor 200 levencycli verbannen, dus 200 keer van oud naar jong en sterven als baby, en dan denk ik weer als bejaarde geboren wordenTrinsec schreef op zondag 24 april 2011 @ 23:01:
Aw, mooi andersom denken.Ik vraag me af hoe lang zijn ouders te gaan hebben. Zou mooi lullig zijn als 'ie voor 10 jaar werd 'verbannen' en zijn ouders komen na 1 jaar terug.
Ik heb alleen geen idee hoe lang dit in de echte wereld moet zijn
Ik vind het zelf een geweldig verhaal. Hoe verder je komt hoe duidelijker het wordt, zoals in veel verhalen, maar toch anders
Buiten je standaard blogs om wil ik ook hier best meer van lezen
Verfrissend en leuk.
Tussendoor erg grappig, maar lig toch liever krom van het lachen als je weer 'n eenofandere organisatie aan schijft en prachtige antwoorden krijgt. Like die goeie ouwe M&M tijd
PS Ik hou ook niet van de bruine.
Tussendoor erg grappig, maar lig toch liever krom van het lachen als je weer 'n eenofandere organisatie aan schijft en prachtige antwoorden krijgt. Like die goeie ouwe M&M tijd
PS Ik hou ook niet van de bruine.
Meeeer! 
Vanavond zal ik dan ook maar even langs de bakker lopen en een brood pikken
Wat een fantastische setting die je creëert, ik ben even volledig weggedroomd!
Bleh, wel vervelend dat ik nu weer gewoon moet verder werken, gelukkig kan ik dat wel doen met een glimlach op het gezicht.
En uiteraard: Boek, Boek, Boek!
Wat een fantastische setting die je creëert, ik ben even volledig weggedroomd!
Bleh, wel vervelend dat ik nu weer gewoon moet verder werken, gelukkig kan ik dat wel doen met een glimlach op het gezicht.
En uiteraard: Boek, Boek, Boek!
Alweer briljant Coltrui! We want more!
Uiteraard ben ik gelijkgestemd met Otherside1982:
Boek, Boek, Boek!
Uiteraard ben ik gelijkgestemd met Otherside1982:
Boek, Boek, Boek!
Fijn woordspel, Ijeir.