Waarom een haan?
Aha een mailtje van een lezertje met een interessant vraagje. Leuk, hou ik van. Dus, speciaal voor Mark:Hoi Coltrui,
Ik zit met een vraag en omdat jij me een intelligente gozer lijkt, kan ik misschien bij jou terecht.
Op veel kerktorens staat er een haan. Kan jij misschien op je weblog uitleggen waarom dat zo is?
Ik ben benieuwd!
Hartelijke groet,
Mark
Beste Mark, gozer,
Allereerst een pluim voor uw inschattingsvermogen. Ik ben inderdaad uiterst intelligent, maar prefereer dat uit bescheidenheid een beetje stil te houden, anders moet ik binnen de kortste keren een of andere Nobelprijs in ontvangst nemen, en verdomd dat ik daar tijd voor kan vrijmaken.
Wat nu uw vraag over hanen op kerktorens betreft, wel daar kan ik uiteraard mijn licht over laten schijnen. Het toeval wil immers dat mijn eigen betovergrootvader zaliger de aanstichter is geweest van deze traditie! Echt waar!
Heden ten dage prijkt er inderdaad op bijna elke kerktoren een haan om de windrichting aan te geven, maar dat weet iedereen. Interessanter is echter hoe deze traditie tot stand is gekomen.
Weet u, in de tijden voor mijn betovergrootvader, was er helemaal nog geen sprake van een haan op een kerktoren. Nee, toen moest elk parochiekerkje het nog stellen met een levende waterbuffel. Wanneer de dorpeling moest plassen en dus wilde weten uit welke richting de wind waaide teneinde de eigen broek niet te bevochtigen, keek hij naar de waterbuffel en wachtte hij tot die zich ontlastte om te kunnen concluderen vanwaar de wind kwam.
Het spreekt vanzelf dat zo’n waterbuffel niet lang dienst kon doen, zo bovenop zo’n toren gespiest. Na twee dagen hing dat beest al een paar meter lager. Dood te wezen.
Het feit dat men elke drie dagen een verse waterbuffel op de toren moest hijsen, was nefast voor de waterbuffelpopulatie. Allicht heeft u er nooit bij stil gestaan, maar de kans dat u in onze contreien vandaag de dag een waterbuffel tegen het lijf te loopt, is vrijwel nihil. Nu weet u ook meteen waarom.
Enfin, op een gegeven moment waren de waterbuffels dus op en werd men genoopt om iets anders te verzinnen om de windrichting te bepalen. Logischerwijs, het spreekt vanzelf, stapte men over op de kabeljauw.
Dat ging goed de eerste dagen, tot dat beest keihard eieren begon te sproeien. En niet zo’n klein beetje he, neenee, mil-jar-den eieren. Bak-ken vol! Het hele dorpsplein leek wel één grote omelet. Dat schoot dus ook niet zo op.
Toen werd er een volksvergadering gehouden, om het eierprobleem te bespreken. Mijn betovergrootvader was daar ook aanwezig. Echt waar.
‘Zo kan het niet verder! Die kabeljauw eiert de hele zooi onder!’ klaagde de bezorgde burgervader.
‘Ja, we willen af van die eieren! We willen een beest dat geen eieren legt! Een banaan of zo!’
Het was toen dat mijn betovergrootvader plots ging staan, zijn hand opstak en iedereen automatisch tot stilte dwong. Hij werd erg gerespecteerd, moet u weten. Dat zit bij ons in de familie.
‘Wel medeburgers, laat ons eens een haan proberen. Als er één beest is dat geen eieren legt, dan is het wel een haan. Tevens weten we allemaal dat een haan enorm stinkende winden laat, zodat hij steeds met zijn neus in de wind gaat zitten om zijn eigen stank te vermijden. Op die manier weten we welke kant we op moeten plassen.’
Iedereen vond dat uiteraard meteen een strak plan en zo geschiedde: sedertdien kon men op elke kerk een levende haan bewonderen.
In de loop der tijden is de authenticiteit van deze traditie vervaagd en heeft men de levende haan vervangen door een metalen exemplaar want - zeg nu eerlijk - wie interesseert het nu in Gods naam nog ene moer om te weten vanwaar de wind komt in een tijdperk waar wildplasserij beboet wordt?
Zo, beste Mark, lekkere gozer van me… Ik dank u voor uw interessante vraag en hoop dat ik u bij deze een beetje geschiedenis heb kunnen bijbrengen.
Vriendelijke groet,
Coltrui
Zo. Heeft ook u een prangende vraag die u uit uw slaap houdt? Niet twijfelen hoor, laat maar komen.
Tee tere teee
‘Mijn God, wat lijk ik een drachtig nijlpaard…’
Jessica bekeek haar mollige spiegelbeeld in de glazen deur van de vriesvakken van de Delhaize en aarzelde.
Haar blik gleed naar de twee pizza’s die in haar boodschappenmandje lagen en ze slikte.
‘Ik kan niet anders.. Ik moet toch eten?’
Een traan rolde over haar wang, toen ze het vriesvak openschoof, er een liter roomijs uithaalde en die op de pizza’s mikte. Toen ze het vriesvak weer dichttrok, schrok ze zich zowat een halve Kerstboom van de eigenaardige, grijze ballerina met harige benen die schijnbaar uit het niets was komen aanhuppelen.
‘Zou je dat wel doen, kind?’ zei de danser met lage stem.
Jessica snikte.
‘Ik weet dat het niet gezond is. Maar mijn ouders werken en ik moet zelf koken en ooo…’
Overmand door verdriet, gaf ze toe aan haar tranen.
‘Huil maar niet,’ zei de ballerina. ‘Wij zullen je helpen.’
‘W.. Wij? Wie bent u?’
De man friemelde een wortel uit zijn tutu, knipte er een stukje af en stak hem in zijn mond, waarna hij er een brandende lucifer onderhield. Hij trok en blies uit.
‘U heeft ons net ingehuurd.’
In 1972, a vegetable consuming unit was sent to prison by the weight-watching court for a pie they didn’t eat. These men promptly escaped from a maximum security stockade to the Los Angeles underground. Today, still wanted by the weight-watchers, they survive on low calory food. If you have a big butt, if no one else is fatter, and if you can find them, maybe you can hire… ‘t Dieet-team.
En zo vergezelde het Dieetteam de arme Jessica naar haar ouderlijke huis.
De ballerina bleek Bamibal te heten en scheen het brein van het team te wezen. Een tweede, degene die zich Spruitkok liet noemen, leek rijp voor het gesticht, daar hij de hele weg een boeiende conversatie had met een krop sla, tot groot ongenoegen van Paté, een met goud behangen neger, duidelijk de sterkste van de vier. Tenslotte was er nog de mooie jonge knaap, die liters kwijl produceerde en onophoudelijk in Jessica’s tieten kneep. Hij luisterde naar de naam ‘Vlees’.
‘O kijk! papa is thuis!’ zei Jessica, wijzend naar de wagen voor de voordeur.
Ze stak de sleutel in het slot, duwde de deur open en schrok zich opnieuw een halve Kerstboom, toen haar vader buiten kwam gestapt, gewapend met een tweeloop.
‘Naar binnen jij!’ sommeerde hij haar nors.
Jessica gehoorzaamde bevend en nadat de man de deur achter haar had dichtgetrokken, richtte hij zijn wapen op het Dieetteam.
‘Ik heb jullie al van ver zien aankomen en heb jullie meteen herkend. Allevier de schuur in. Kunnen jullie daar wachten op Kolonel Lekker die ik al verwittigd heb.’
Zonder moeite dreef hij het viertal een bouwvallig schuurtje in, waarna hij het afsloot met een groot hangslot.
‘Mijn krop sla denkt dat we een probleem hebben, Bamibal!’ zei Spruitkok.
‘Shut up fool!’ brulde Paté.
‘O ja? Kijk maar eens rond. Ik heb een plan dat zeker tesamen gaat komen!’ zei Bamibal. ‘Heel toevallig liggen de soldeerbouten, een drilboren, lasmachines en zagen hier zomaar voor het grijpen. Wat dom van Jessica’s vader!’
Bamibal deed zijn plan uit de doeken en het Dieetteam toog aan het werk. Paté laste wat, Bamibal bekommerde zich om het fijnere werk en Spruitkok liet zijn krop sla al het werk doen, terwijl Vlees een opblaaspop het hof maakte. In een mum van tijd hadden ze plots een tank gebouwd met daarop een wapen dat geladen kon worden met watermeloenen. Die lagen daar ook toevallig.
‘Allemaal instappen!’ schreeuwde Bamibal. ‘En laat het wat vooruit gaan want Coltrui zijn middagpauze is om…’
Paté ging aan het stuur zitten, Bamibal nam de passagierszetel en Vlees en Spruitkok bemanden het meloenenkanon.
‘Go!’
Paté gaf plankgas en de tank ramde de poort. Jessica’s vader kwam woedend en luid vloekend het huis uitgespurt en schoot zijn wapen leeg op het voertuig. Hij moest dra herladen.
‘Fruit!’ schreeuwde Bamibal.
Vlees overhandigde Spruitkok een watermeloen. De laatste kuste het stuk fruit, laadde het kanon en vuurde het ding af. Het trof Jessica’s vader vol in het gelaat.
‘Godvernonde… Wat is dat voor vetzakkerij… Wacht maar, ik zal jullie…’
Hij verstomde en liet zijn geweer zakken.
‘Hmm, eigenlijk is dit best lekker! Weet je wat? Ik eet vanaf nu enkel nog groenten en fruit!’
Bamibal plukte een selder uit zijn binnenzak.
‘Ik hou ervan wanneer een plan tesamen komt.’
Hij brak een stukje van de stengel en stak het grootste stuk aan met een lucifer.
Jessica bekeek haar mollige spiegelbeeld in de glazen deur van de vriesvakken van de Delhaize en aarzelde.
Haar blik gleed naar de twee pizza’s die in haar boodschappenmandje lagen en ze slikte.
‘Ik kan niet anders.. Ik moet toch eten?’
Een traan rolde over haar wang, toen ze het vriesvak openschoof, er een liter roomijs uithaalde en die op de pizza’s mikte. Toen ze het vriesvak weer dichttrok, schrok ze zich zowat een halve Kerstboom van de eigenaardige, grijze ballerina met harige benen die schijnbaar uit het niets was komen aanhuppelen.
‘Zou je dat wel doen, kind?’ zei de danser met lage stem.
Jessica snikte.
‘Ik weet dat het niet gezond is. Maar mijn ouders werken en ik moet zelf koken en ooo…’
Overmand door verdriet, gaf ze toe aan haar tranen.
‘Huil maar niet,’ zei de ballerina. ‘Wij zullen je helpen.’
‘W.. Wij? Wie bent u?’
De man friemelde een wortel uit zijn tutu, knipte er een stukje af en stak hem in zijn mond, waarna hij er een brandende lucifer onderhield. Hij trok en blies uit.
‘U heeft ons net ingehuurd.’
In 1972, a vegetable consuming unit was sent to prison by the weight-watching court for a pie they didn’t eat. These men promptly escaped from a maximum security stockade to the Los Angeles underground. Today, still wanted by the weight-watchers, they survive on low calory food. If you have a big butt, if no one else is fatter, and if you can find them, maybe you can hire… ‘t Dieet-team.
En zo vergezelde het Dieetteam de arme Jessica naar haar ouderlijke huis.
De ballerina bleek Bamibal te heten en scheen het brein van het team te wezen. Een tweede, degene die zich Spruitkok liet noemen, leek rijp voor het gesticht, daar hij de hele weg een boeiende conversatie had met een krop sla, tot groot ongenoegen van Paté, een met goud behangen neger, duidelijk de sterkste van de vier. Tenslotte was er nog de mooie jonge knaap, die liters kwijl produceerde en onophoudelijk in Jessica’s tieten kneep. Hij luisterde naar de naam ‘Vlees’.
‘O kijk! papa is thuis!’ zei Jessica, wijzend naar de wagen voor de voordeur.
Ze stak de sleutel in het slot, duwde de deur open en schrok zich opnieuw een halve Kerstboom, toen haar vader buiten kwam gestapt, gewapend met een tweeloop.
‘Naar binnen jij!’ sommeerde hij haar nors.
Jessica gehoorzaamde bevend en nadat de man de deur achter haar had dichtgetrokken, richtte hij zijn wapen op het Dieetteam.
‘Ik heb jullie al van ver zien aankomen en heb jullie meteen herkend. Allevier de schuur in. Kunnen jullie daar wachten op Kolonel Lekker die ik al verwittigd heb.’
Zonder moeite dreef hij het viertal een bouwvallig schuurtje in, waarna hij het afsloot met een groot hangslot.
‘Mijn krop sla denkt dat we een probleem hebben, Bamibal!’ zei Spruitkok.
‘Shut up fool!’ brulde Paté.
‘O ja? Kijk maar eens rond. Ik heb een plan dat zeker tesamen gaat komen!’ zei Bamibal. ‘Heel toevallig liggen de soldeerbouten, een drilboren, lasmachines en zagen hier zomaar voor het grijpen. Wat dom van Jessica’s vader!’
Bamibal deed zijn plan uit de doeken en het Dieetteam toog aan het werk. Paté laste wat, Bamibal bekommerde zich om het fijnere werk en Spruitkok liet zijn krop sla al het werk doen, terwijl Vlees een opblaaspop het hof maakte. In een mum van tijd hadden ze plots een tank gebouwd met daarop een wapen dat geladen kon worden met watermeloenen. Die lagen daar ook toevallig.
‘Allemaal instappen!’ schreeuwde Bamibal. ‘En laat het wat vooruit gaan want Coltrui zijn middagpauze is om…’
Paté ging aan het stuur zitten, Bamibal nam de passagierszetel en Vlees en Spruitkok bemanden het meloenenkanon.
‘Go!’
Paté gaf plankgas en de tank ramde de poort. Jessica’s vader kwam woedend en luid vloekend het huis uitgespurt en schoot zijn wapen leeg op het voertuig. Hij moest dra herladen.
‘Fruit!’ schreeuwde Bamibal.
Vlees overhandigde Spruitkok een watermeloen. De laatste kuste het stuk fruit, laadde het kanon en vuurde het ding af. Het trof Jessica’s vader vol in het gelaat.
‘Godvernonde… Wat is dat voor vetzakkerij… Wacht maar, ik zal jullie…’
Hij verstomde en liet zijn geweer zakken.
‘Hmm, eigenlijk is dit best lekker! Weet je wat? Ik eet vanaf nu enkel nog groenten en fruit!’
Bamibal plukte een selder uit zijn binnenzak.
‘Ik hou ervan wanneer een plan tesamen komt.’
Hij brak een stukje van de stengel en stak het grootste stuk aan met een lucifer.
Sporten is tof, man!
‘Kom op Coltrui, u kan het!’ motiveer ik mezelf, terwijl ik me in jogoutfit wurm. En ja, ik motiveer mezelf altijd in de beleefdheidsvorm. Beleefd zijn tegen uzelf, kost geen moeite. Dat zouden meer mensen eens moeten doen, vind ik.
Ik strik mijn veters, uiterst kordaat, als wil ik op die manier het hoofd bieden aan de neiging om me toch maar terug om te kleden. Want het kleinste excuus weze voldoende om toch maar af te zien van het plan mezelf als een idioot af te beulen. De beloofde regen is echter niet te bespeuren, dus dat valt tegen. Teletekst maakte ook geen melding van een ontplofte kerncentrale in mijn buurt, dus dat excuus was ook niet aan te grijpen. Helaas…
Dus sta ik een paar tellen later aan mijn voordeur, klaar om een klein uurtje joggenderwijs vol te maken. Onnozele kloot.
De sleutel verdwijnt in mijn linkerkous en daar ga ik.
Vijftig meter.
Jezus, het is helemaal niet warm en het zweet gutst over mijn rug in mijn bilnaad. Misschien ben ik toch iets te snel van start gegaan. Even tempo vertragen.
Aaah, da’s beter.
Honderd meter.
‘t Gaat goed. Goh, dit wordt een makkie op dit tempo. Hoewel…
Tweehonderd meter.
Hoe lang zou ik nu al bezig zijn? En interessanter nog, hoe lang moet ik nog om dat uur vol te maken? Een blik op mijn horloge leert me dat mijn benen toch al een lovenswaardige anderhalve minuut aan het presteren zijn. Nog achtenvijftig en een halve minuut. Meteen schaam ik me kapot deze aartsmoeilijke berekening op mijn vingers gemaakt te hebben, maar gelukkig heeft niemand het gezien.
Driehonderd meter.
Voel ik daar nu geen pijntje in mijn rechterbil? Want als ik iets voel, moet ik meteen stoppen. Men weet nooit of er iets gescheurd is of zo.
Doe niet belachelijk, Coltrui, er is helemaal niets aan de hand.
Ja, u heeft gelijk, Coltrui, ik stel me aan. Ik moet niet zo flauw doen, nu ik nog maar zevenenvijftig minuten voor de boeg heb. Eitje! Toch? Coltrui?
Zwijg en loop verder. Spaar uw adem.
Een kilometer.
Met een scherpe bocht ruil ik het bewoonde landschap voor de uitgestrekte polders. Het zicht op de kilometers lange rechte baan die de akkervlakte in twee snijdt, doet mijn hartje net zo hard kloppen van vreugde als zou ik met mijn testikels ondersteboven aan de prikkeldraad hangen. ‘Kom op, Coltrui, u kan het!’ Een mantra.
Anderhalve kilometer.
Zweet brandt mijn ogen naar de filistijnen. Ik zou op mijn horloge willen kijken, maar het gaat niet. En dat blijkt niet eens het meest onaangename aan zweet. Het trekt namelijk ook horden bloeddorstige steekvliegen aan, zodat ik al drie keer molenwiekend als een motorisch minder gezegende idioot, blind over het wegdek moest spurten, tegen een merkwaardig hoog tempo, me opgelegd door panische angst. Ik zou willen huilen, maar mijn ogen weigeren uit zelfbehoud.
Twee kilometer.
Wolken pakken samen.
‘t Is niet waar he!
Ik kijk om, zinnens het stuk achter me te vergelijken met de nog af te leggen weg, om zo terug te keren indien nodig, maar ik zie hoe drie knappe jongedames te fiets me naderen. Shit. Om een of andere duistere reden verhoog ik mijn tempo, hetgeen me doet hijgen als een copulerende Bouvier. Ik verzorg mijn loopstijl en als de deernes me passeren, houd ik mijn belachelijke gehijg in toom. Wanneer ze tientallen meters voor me uitrijden, betaal ik het gelag voor mijn trots en danst de hele melkweg voor mijn ogen. De snelheid waarmee ik me nu nog voortsleep, is van dien aard, dat een achteruitkruipende dode slak er zich kapot voor zou schamen.
Drie kilometer.
Een hevige wind steekt op, uiteraard vanuit de richting waar ik heen moet, en de hemel kleurt donkergrijs. Als het onweert, ben ik in deze uitgestrekte vlakte het geflambeerde haasje.
Een oude man die ik niet had horen aankomen, komt naast me fietsen.
‘Aan’t lopen, menneke?’
Ladies and gentlemen, Captain Obvious is in the house. Ik wil iets antwoorden als ‘Nee, ik ben aan ‘t trainen voor de honderd meter indoor polsstokzwemmen voor vrouwen,’ maar enkel een hijgend knikje lukt me nog net.
‘Haast u maar, want het gaat vlagen zo te zien.’
De man was een genie.
‘En aan uw tempo te zien, wordt het een douche!’ lacht hij alvorens weer weg te fietsen.
In gedachten schop ik hem keihard van zijn fiets, breng ik het rijwiel rectaal bij de ouwe in en begraaf ik hem tenslotte levend in een versbemeste akker, maar al gauw ik laat dit idee varen. Ik heb toch geen spade bij.
Vier kilometer.
Het giet. Waaaaaaaaaaaaater. En weet u wat? Het doet verdomde deugd. Met hernieuwde moed loop ik luid pletsend door de rimpelende plassen, wat een of andere broedende vogel in een belendende gracht blijkbaar alarmeert. Het beest vliegt op en valt me prompt aan, misschien om haar eitjes te beschermen, maar het kan even goed zijn dat ze gewoon niet zo gecharmeerd is van mijn kapsel.
Ik gil als een tienermeisje tijdens een concert van Get Ready en pas na mijn molenwiekende spurt van honderd meter, houdt de vogel het voor gezien. Compleet kapot tuur ik op mijn horloge. Nog geen half uur onderweg. De moed vergezelt de liters water in mijn schoenen, dus ik besluit de kortste weg naar huis te nemen.
Weer de bewoonde wereld ingesjokt, dwing ik mezelf om in lichte looppas te blijven. Nog een paar honderd meter en ik ben weer thuis. Ik kijk op mijn horloge. Veertig minuten. Ik troost mezelf met de gedachte dat dat eigenlijk ook niet zo slecht is.
De laatste bocht, nog vijftig meter en ik ga zitten op de drempel. Ik hijg, zie sterren en proef mijn zweet ondanks de striemende regen, maar ik ben een tevreden Coltrui.
Na een paar minuutjes krijg ik het koud en tast ik naar mijn linkerkous.
Shit.
Voorwaar ik zeg u: God bestond niet die dag.
Ik strik mijn veters, uiterst kordaat, als wil ik op die manier het hoofd bieden aan de neiging om me toch maar terug om te kleden. Want het kleinste excuus weze voldoende om toch maar af te zien van het plan mezelf als een idioot af te beulen. De beloofde regen is echter niet te bespeuren, dus dat valt tegen. Teletekst maakte ook geen melding van een ontplofte kerncentrale in mijn buurt, dus dat excuus was ook niet aan te grijpen. Helaas…
Dus sta ik een paar tellen later aan mijn voordeur, klaar om een klein uurtje joggenderwijs vol te maken. Onnozele kloot.
De sleutel verdwijnt in mijn linkerkous en daar ga ik.
Vijftig meter.
Jezus, het is helemaal niet warm en het zweet gutst over mijn rug in mijn bilnaad. Misschien ben ik toch iets te snel van start gegaan. Even tempo vertragen.
Aaah, da’s beter.
Honderd meter.
‘t Gaat goed. Goh, dit wordt een makkie op dit tempo. Hoewel…
Tweehonderd meter.
Hoe lang zou ik nu al bezig zijn? En interessanter nog, hoe lang moet ik nog om dat uur vol te maken? Een blik op mijn horloge leert me dat mijn benen toch al een lovenswaardige anderhalve minuut aan het presteren zijn. Nog achtenvijftig en een halve minuut. Meteen schaam ik me kapot deze aartsmoeilijke berekening op mijn vingers gemaakt te hebben, maar gelukkig heeft niemand het gezien.
Driehonderd meter.
Voel ik daar nu geen pijntje in mijn rechterbil? Want als ik iets voel, moet ik meteen stoppen. Men weet nooit of er iets gescheurd is of zo.
Doe niet belachelijk, Coltrui, er is helemaal niets aan de hand.
Ja, u heeft gelijk, Coltrui, ik stel me aan. Ik moet niet zo flauw doen, nu ik nog maar zevenenvijftig minuten voor de boeg heb. Eitje! Toch? Coltrui?
Zwijg en loop verder. Spaar uw adem.
Een kilometer.
Met een scherpe bocht ruil ik het bewoonde landschap voor de uitgestrekte polders. Het zicht op de kilometers lange rechte baan die de akkervlakte in twee snijdt, doet mijn hartje net zo hard kloppen van vreugde als zou ik met mijn testikels ondersteboven aan de prikkeldraad hangen. ‘Kom op, Coltrui, u kan het!’ Een mantra.
Anderhalve kilometer.
Zweet brandt mijn ogen naar de filistijnen. Ik zou op mijn horloge willen kijken, maar het gaat niet. En dat blijkt niet eens het meest onaangename aan zweet. Het trekt namelijk ook horden bloeddorstige steekvliegen aan, zodat ik al drie keer molenwiekend als een motorisch minder gezegende idioot, blind over het wegdek moest spurten, tegen een merkwaardig hoog tempo, me opgelegd door panische angst. Ik zou willen huilen, maar mijn ogen weigeren uit zelfbehoud.
Twee kilometer.
Wolken pakken samen.
‘t Is niet waar he!
Ik kijk om, zinnens het stuk achter me te vergelijken met de nog af te leggen weg, om zo terug te keren indien nodig, maar ik zie hoe drie knappe jongedames te fiets me naderen. Shit. Om een of andere duistere reden verhoog ik mijn tempo, hetgeen me doet hijgen als een copulerende Bouvier. Ik verzorg mijn loopstijl en als de deernes me passeren, houd ik mijn belachelijke gehijg in toom. Wanneer ze tientallen meters voor me uitrijden, betaal ik het gelag voor mijn trots en danst de hele melkweg voor mijn ogen. De snelheid waarmee ik me nu nog voortsleep, is van dien aard, dat een achteruitkruipende dode slak er zich kapot voor zou schamen.
Drie kilometer.
Een hevige wind steekt op, uiteraard vanuit de richting waar ik heen moet, en de hemel kleurt donkergrijs. Als het onweert, ben ik in deze uitgestrekte vlakte het geflambeerde haasje.
Een oude man die ik niet had horen aankomen, komt naast me fietsen.
‘Aan’t lopen, menneke?’
Ladies and gentlemen, Captain Obvious is in the house. Ik wil iets antwoorden als ‘Nee, ik ben aan ‘t trainen voor de honderd meter indoor polsstokzwemmen voor vrouwen,’ maar enkel een hijgend knikje lukt me nog net.
‘Haast u maar, want het gaat vlagen zo te zien.’
De man was een genie.
‘En aan uw tempo te zien, wordt het een douche!’ lacht hij alvorens weer weg te fietsen.
In gedachten schop ik hem keihard van zijn fiets, breng ik het rijwiel rectaal bij de ouwe in en begraaf ik hem tenslotte levend in een versbemeste akker, maar al gauw ik laat dit idee varen. Ik heb toch geen spade bij.
Vier kilometer.
Het giet. Waaaaaaaaaaaaater. En weet u wat? Het doet verdomde deugd. Met hernieuwde moed loop ik luid pletsend door de rimpelende plassen, wat een of andere broedende vogel in een belendende gracht blijkbaar alarmeert. Het beest vliegt op en valt me prompt aan, misschien om haar eitjes te beschermen, maar het kan even goed zijn dat ze gewoon niet zo gecharmeerd is van mijn kapsel.
Ik gil als een tienermeisje tijdens een concert van Get Ready en pas na mijn molenwiekende spurt van honderd meter, houdt de vogel het voor gezien. Compleet kapot tuur ik op mijn horloge. Nog geen half uur onderweg. De moed vergezelt de liters water in mijn schoenen, dus ik besluit de kortste weg naar huis te nemen.
Weer de bewoonde wereld ingesjokt, dwing ik mezelf om in lichte looppas te blijven. Nog een paar honderd meter en ik ben weer thuis. Ik kijk op mijn horloge. Veertig minuten. Ik troost mezelf met de gedachte dat dat eigenlijk ook niet zo slecht is.
De laatste bocht, nog vijftig meter en ik ga zitten op de drempel. Ik hijg, zie sterren en proef mijn zweet ondanks de striemende regen, maar ik ben een tevreden Coltrui.
Na een paar minuutjes krijg ik het koud en tast ik naar mijn linkerkous.
Shit.
Voorwaar ik zeg u: God bestond niet die dag.
Porno VROUWonvriendelijk?
Wie als man in vrouwelijk gezelschap op een zeldzaam moment van stilte bij wijze van ‘making conversation’ de woorden ‘keiharde porno is vet cool’ laat vallen, oogst op zijn zachtst gezegd verontwaardigde reacties. Niet dat ik dat ooit doe - ik heb dat van horen zeggen. Ik kijk overigens geen porno. Ok, ok, toegegeven, kleine jokkebrok die ik der ben: soms kijk ik wel eens stiekem. Maar! Maar! Dat is dan voor ehm… de geweldige sfeermuziek. Juist, de soudtracks. Uiteraard.
Maar goed, over het algemeen genomen, vinden vrouwen dat het vrouw-zijn van de actrices in het gedrang komt. Ze zouden vernederd worden.
Nu vraag ik u, heeft een vrouw dan totaal geen besef van hoe vernederend dat soort konijnenfilms eigenlijk wel zijn voor de mán? En dan bedoel ik uiteraard niet voor de acteurs, maar wel degelijk voor het publiek. De kijkertjes thuis, zeg maar.
Die mannen kunnen dus echt álles. De modale man veel minder. En ik nóg minder. En dát, dierbare vrouw, is pas vernederend.
Neem nu het gemak waarmee deze beroepsknuffelaars de taak aanvatten. Gezwind en zonder GPS, nemen ze de gewenste inrit, en ze zouden het nog geblinddoekt en met een aanloop van driehonderd meter kunnen ook, als het moest.
In de slaapkamerrealiteit die mij eigen is, verloopt dat frustrerend genoeg soms wel een heel klein beetje anders. Om de Vogeltjesdans in te leiden, wordt er wel meer dan eens een spelletje hoger lager gespeeld, teneinde de joker richting het rad van fortuin te begeleiden. Begrijpt u het, of wil u een klinker kopen?
En dan de omvang en houdbaarheidstermijn van die kerels hun kostwinner. Voorwaar ik zeg u: pijnlijk ende vernederend! De tegenspeelster van dienst hoeft maar met een geoefende vingerknip een broeksriem open te frutselen en de rode baret staat in geef acht, klaar om zich uren lang aan de grote manoeuvres over te geven. De dame - die meestal eerst twijfelt om een raam te openen, omdat ze niet juist weet hoe kolossaal de soldaat worden zal - laat het zich al snel zichtbaar én hoorbaar welgevallen, terwijl Rambo haar vanuit elke hoek en in elke mogelijke gevechtshouding aanvalt ende beschiet.
Ik? Ik mag trots van een geslaagde prestatie spreken, wanneer Tinky Winky de secondenwijzer een volledig rondje rond de klok kan volgen. En áls dat dan al eens lukt - zoals dat meestal gaat na een pot gerstenat te veel - loop ik kans dat mevrouw Coltrui ondertussen geeuwend een sudoku ligt op te lossen.
Dus dames, porno is vernederend voor mannen. Onthoud dat. En weet: mannen die ervan genieten zijn keiharde masochisten. Óf ze houden van de muziek. Ah ja.
Maar goed, over het algemeen genomen, vinden vrouwen dat het vrouw-zijn van de actrices in het gedrang komt. Ze zouden vernederd worden.
Nu vraag ik u, heeft een vrouw dan totaal geen besef van hoe vernederend dat soort konijnenfilms eigenlijk wel zijn voor de mán? En dan bedoel ik uiteraard niet voor de acteurs, maar wel degelijk voor het publiek. De kijkertjes thuis, zeg maar.
Die mannen kunnen dus echt álles. De modale man veel minder. En ik nóg minder. En dát, dierbare vrouw, is pas vernederend.
Neem nu het gemak waarmee deze beroepsknuffelaars de taak aanvatten. Gezwind en zonder GPS, nemen ze de gewenste inrit, en ze zouden het nog geblinddoekt en met een aanloop van driehonderd meter kunnen ook, als het moest.
In de slaapkamerrealiteit die mij eigen is, verloopt dat frustrerend genoeg soms wel een heel klein beetje anders. Om de Vogeltjesdans in te leiden, wordt er wel meer dan eens een spelletje hoger lager gespeeld, teneinde de joker richting het rad van fortuin te begeleiden. Begrijpt u het, of wil u een klinker kopen?
En dan de omvang en houdbaarheidstermijn van die kerels hun kostwinner. Voorwaar ik zeg u: pijnlijk ende vernederend! De tegenspeelster van dienst hoeft maar met een geoefende vingerknip een broeksriem open te frutselen en de rode baret staat in geef acht, klaar om zich uren lang aan de grote manoeuvres over te geven. De dame - die meestal eerst twijfelt om een raam te openen, omdat ze niet juist weet hoe kolossaal de soldaat worden zal - laat het zich al snel zichtbaar én hoorbaar welgevallen, terwijl Rambo haar vanuit elke hoek en in elke mogelijke gevechtshouding aanvalt ende beschiet.
Ik? Ik mag trots van een geslaagde prestatie spreken, wanneer Tinky Winky de secondenwijzer een volledig rondje rond de klok kan volgen. En áls dat dan al eens lukt - zoals dat meestal gaat na een pot gerstenat te veel - loop ik kans dat mevrouw Coltrui ondertussen geeuwend een sudoku ligt op te lossen.
Dus dames, porno is vernederend voor mannen. Onthoud dat. En weet: mannen die ervan genieten zijn keiharde masochisten. Óf ze houden van de muziek. Ah ja.
De wereld is soms veel te klein
Een tijdje terug hoorde ik op de radio dat er fileleed was ter hoogte van de gemeente ‘Nazareth’ bij Gent. Nazareth… Waar had ik dat nog gehoord? Aangezien ik altijd in ben voor een flauwe grap, besloot ik de klantvriendelijkheid van de gemeentedienst van Nazareth eens te toetsen. Ik registreerde een gmail-accountje en verzond volgend mailtje naar het afdelingshoofd burgerzaken.
Beste,
Voor mijn scriptie Theologie heb ik gekozen om het leven van Jezus als mens uitvoerig uit de lendedoeken te doen.
Aangezien ik mijn proefschrift aan Jezus zelf ter aanvulling zou willen voorleggen, had ik van u graag zijn huidige woonplaats vernomen. Mocht hij ondertussen Nazareth verlaten hebben, zou u mij enorm verblijden, mocht u mij naam en adres kunnen onthullen van de landbouwer die thans eigenaar is van Jezus’ geboortehuis - de stal waarboven de sterre bleef stille staan.
Vriendelijke groet,
Karel Spinoy
PS: Ik begrijp dat de wet Persoonsbescherming u eventueel verhindert mij de gevraagde gegevens te verstrekken, doch onthoud dat Jezus u steeds vergeeft…
Twee dagen later, ontvang ik antwoord:
Beste Karel,
Ik kan u jammer genoeg niet helpen bij het adres.
Misschien kan u eens heel lang naar de hemel kijken en wie weet vindt u de woonplaats daar?
Veel succes nog met je scriptie.
Met vriendelijke groeten,
[NAAM], Afdelingshoofd burgerzaken
Sympathiek afdelingshoofd, vind ik. Blijkbaar bereid om zelfs de meest achterlijke mails met de glimlach te beantwoorden. Benieuwd of ik een stapje verder kan gaan.
Ik maakte opnieuw een gmail-account aan, ditmaal op naam van Jezus Van Nazareth, waarna ik volgend berichtje richting Nazareth joeg:
Beste,
‘t Is Jezus hier. Mocht ene Karel Spinoy U eerstdaags verzoeken om hem mijn adresgegevens te verstrekken, zou ik u willen vragen om daar dan geen gehoor aan te geven. De heer Spinoy heeft er namelijk een handje van weg om mij te stalken.
Ziet u, ik heb vroeger nog met Karel in de klas gezeten en sinds ik zijn boterhammen met choco heb afgepakt, is hij redelijk boos op mij.
Voorwaar ik zeg U, met Oud-Hebreeuwse groet,
Jezus
Nog geen half uur later komt het antwoord:
Beste Jezus,
Ik heb geen adres doorgegeven aan Karel.
Heb ik nu mijn hemel verdiend ?
mvg,
[NAAM]
Bij het lezen spuw ik mijn broodje ham kaas (zonder tomaat) zowat integraal over mijn toetsenbord, wat om een of andere reden de aandacht trekt van de collega naast mij.
‘Gaat het?’ vraagt hij.
Enfin, ik doe hem heel het relaas.
‘En ehm… Naar wie hebt ge dat verstuurd?’
‘Naar ene mevrouw [NAAM], waarom?’
Mijn collega schiet in een lachkramp en ik voel nattigheid.
‘Wat scheelt er?’ vraag ik.
‘Haha, konijn! Da’s mijn vrouw!’
Ik denk dat ik uit veiligheidsoverwegingen de volgende personeelsfeestjes maar ga skippen…
Beste,
Voor mijn scriptie Theologie heb ik gekozen om het leven van Jezus als mens uitvoerig uit de lendedoeken te doen.
Aangezien ik mijn proefschrift aan Jezus zelf ter aanvulling zou willen voorleggen, had ik van u graag zijn huidige woonplaats vernomen. Mocht hij ondertussen Nazareth verlaten hebben, zou u mij enorm verblijden, mocht u mij naam en adres kunnen onthullen van de landbouwer die thans eigenaar is van Jezus’ geboortehuis - de stal waarboven de sterre bleef stille staan.
Vriendelijke groet,
Karel Spinoy
PS: Ik begrijp dat de wet Persoonsbescherming u eventueel verhindert mij de gevraagde gegevens te verstrekken, doch onthoud dat Jezus u steeds vergeeft…
Twee dagen later, ontvang ik antwoord:
Beste Karel,
Ik kan u jammer genoeg niet helpen bij het adres.
Misschien kan u eens heel lang naar de hemel kijken en wie weet vindt u de woonplaats daar?
Veel succes nog met je scriptie.
Met vriendelijke groeten,
[NAAM], Afdelingshoofd burgerzaken
Sympathiek afdelingshoofd, vind ik. Blijkbaar bereid om zelfs de meest achterlijke mails met de glimlach te beantwoorden. Benieuwd of ik een stapje verder kan gaan.
Ik maakte opnieuw een gmail-account aan, ditmaal op naam van Jezus Van Nazareth, waarna ik volgend berichtje richting Nazareth joeg:
Beste,
‘t Is Jezus hier. Mocht ene Karel Spinoy U eerstdaags verzoeken om hem mijn adresgegevens te verstrekken, zou ik u willen vragen om daar dan geen gehoor aan te geven. De heer Spinoy heeft er namelijk een handje van weg om mij te stalken.
Ziet u, ik heb vroeger nog met Karel in de klas gezeten en sinds ik zijn boterhammen met choco heb afgepakt, is hij redelijk boos op mij.
Voorwaar ik zeg U, met Oud-Hebreeuwse groet,
Jezus
Nog geen half uur later komt het antwoord:
Beste Jezus,
Ik heb geen adres doorgegeven aan Karel.
Heb ik nu mijn hemel verdiend ?
mvg,
[NAAM]
Bij het lezen spuw ik mijn broodje ham kaas (zonder tomaat) zowat integraal over mijn toetsenbord, wat om een of andere reden de aandacht trekt van de collega naast mij.
‘Gaat het?’ vraagt hij.
Enfin, ik doe hem heel het relaas.
‘En ehm… Naar wie hebt ge dat verstuurd?’
‘Naar ene mevrouw [NAAM], waarom?’
Mijn collega schiet in een lachkramp en ik voel nattigheid.
‘Wat scheelt er?’ vraag ik.
‘Haha, konijn! Da’s mijn vrouw!’
Ik denk dat ik uit veiligheidsoverwegingen de volgende personeelsfeestjes maar ga skippen…