Waar het hart van vol is...

Growing older, staying well

Door Coltrui op woensdag 24 februari 2010 07:30 - Reacties (8)
Categorie: Lectuur - fictieve onzin, Views: 2831

Verhaaltjestijd voor wie zin heeft. Dit werd gepubliceerd in een Nederlands fantasytijdschrift, wat op zich vreemd te noemen is, aangezien er geen verschijnselen als elfen, trollen en andere cliché-creaturen in opduiken. Blijkbaar paste het onder het kopje 'horror', wat alweer maar eens bewijst dat de conventionele categorieën heel erg breed te noemen zijn en veelal de lading niet echt dekken...

Lees verder »

En het boek is nog steeds niet uit

Door Coltrui op dinsdag 10 november 2009 12:43 - Reacties (15)
Categorieën: Lectuur - fictieve onzin, Recycled, Views: 2237

Alweer een verhaaltje. Lap-Vlaamsche-tekst-alert :)

Lees verder »

De schemer van het verleden

Door Coltrui op woensdag 04 november 2009 13:37 - Reacties (16)
Categorie: Lectuur - fictieve onzin, Views: 1511

Alweer een lapje tekst, dus de niet fervente lezers klikken maar vrolijk weg ;)

Lees verder »

Worteltijd

Door Coltrui op donderdag 29 oktober 2009 08:44 - Reacties (0)
Categorie: Lectuur - fictieve onzin, Views: 88

De visser duwde een worm aan zijn haak, wierp behendig zijn lijn uit en nestelde zich tenslotte weer op zijn vissersbak onder de paraplu. Ondanks de zeurende regen, verried het deuntje dat hij floot zijn opgewekte humeur. Er was iets fascinerends aan de grijsaard. Wat precies, daar kon ik niet meteen mijn vinger op leggen.
Ik bekeek hem van top tot teen. Geel hoedje, geel regenpak en dito laarzen.

“Middag. Willen ze wat bijten?” brak ik het ijs op geweldig originele wijze.
“Het gaat wel. Ik mag niet klagen…”
Hij keek me aan waardoor ik eindelijk besefte wat me zo verwonderd had.
“Meneer?”
“Ja, jongeman?”
Mijn wijsvinger wees aarzelend naar zijn neus.
“Wist u dat u een wortel in uw neus heeft zitten?”
De man schrok, stond op en speurde in paniek de grond af, terwijl zijn handen koortsachtig in zijn jaszakken woelden. Een tel later slaakte hij opgelucht adem.
“Aha, hier is ie!”
Kwiek grabbelde hij een tweede wortel van de grond en parkeerde die handig in zijn vrije neusgat.
“Oef! Haha, stond ik even voor gek, zeg! Bedankt, jongeman! Zitten ze goed zo?”
“Ehm… Ze staan u beeldig, meneer.”
“René. Zeg maar René. Meneer is thuis.”
“René.”
“Juist. René.”
“Zeg eens René…”
“Ja, jongeman?”
“Ik wil niet echt onbeleefd zijn hoor, maar ehm…”
“Wat?”
“Wel, waarom heeft u wortels in uw neus?”
“O, dat! Dat is familietraditie, jongen. Al generaties lang zijn wij vissers. Ik heb de worteltechniek van mijn vader overgenomen. Hij van zijn vader. Zijn vader op zijn beurt dan weer van zijn vader. Diens vader heeft het dan weer van zijn vader, die het van zijn vader heeft. En zijn vader…”
“Van zijn vader?”
“Nee, die had het van zijn poetsvrouw. Het idee althans, want dienstmeid Bea zaliger experimenteerde aanvankelijk met integrale broccoli’s.”
“Broccoli?”
“Ja, belachelijk he? Ach ja, vroeger was dat zo. Maar de wonderen van de techniek staan niet stil he!”
“Maar waarom groente in uw neus vrotten? Bevordert het de visvangst?”
“Tuurlijk! Eigenlijk is dit een familiegeheim, maar jij ziet er nogal schattig uit, dus zal ik het uitleggen. Het heeft allemaal te maken met de legendarische sneeuwman die geen kaas lustte…”
“De wát?”
“De sneeuwman die geen kaas lustte. Het begon allemaal op die steenkoude winteravond in december negentienhonderd eenentwintig. Fonske, het zoontje van de bakker, had wijwater gestolen van pastoor Muntens. Bij nacht en ontij, sloop hij naar het kerkplein, het heilige water en twee winterpenen in de hand, toen plots uit het niets een reusachtige sneeuwman opdoemde. Fonske deed het in zijn broek van angst, toen plots…”
Ik schrok me het apelazarus van het schelle gerinkel dat uit zijn vissersbak scheen te komen.
“Momentje!” sprak de oude man, waarna hij de bak opende, er een wekker uithaalde en die routineus weer opwond.
Het sleuteltje brak af onder luid gevloek van René.
“Een wekker?”
“Jup, standaard vissersuitrusting voor mij, sinds mijn grootvader zaliger het loodje heeft gelegd tijdens het vissen.”
“Oei! Verdronken?”
“Verdronken? Natuurlijk niet! Gestikt! In konijnen!”
“Konijnen?”
“Denk nu eens na… Wat denk je dat er gebeurt wanneer je in slaap valt in de vrije natuur met twee wortels in je neus? Juist, konijnen komen op de wortels af en nestelen zich in je neus en BAM! Dood!”
“Mijn deelneming.”
“Ach, hij stierf een heldendood. Excuseer jongeman, maar ik moet een nu meteen nieuwe wekker halen.”
Gehaast zocht hij al zijn spullen bijeen, waarna hij ze in zijn vissersbak propte.
“En de sneewman die geen kaas lustte?” vroeg ik gefrustreerd.
“Later! Ik moet nu gaan!”
De man plantte zijn hand bovenop zijn hoed en zette het op een lopen. Terwijl hij verbazingwekkend snel door regen spurtte, viel mijn oog op een verloren wortel.
“René! Je bent een wortel vergeten! Renééééééééééééééé!”

Maar René was rennenderwijs kleiner geworden aan de horizon. Vertwijfeld raapte ik de wortel op. Ik keek om me heen. Niemand te zien. Ik gaf toe aan de verleiding. Behoedzaam schoof ik de oranje groente in mijn linkerneusgat, centimeter voor centimeter. Ik wachtte op iets dat me aan de grond zou nagelen van verbazing, doch tevergeefs. En net op het moment dat ik de peen met een teleurgestelde ruk uit mijn snufferd trok, trok geritsel mijn aandacht. Meer geritsel. Geruis. Ik zag één konijn. Twee konijnen. Tien konijnen. Honderden konijnen. Het geruis hief aan tot gegaloppeer dat me de daver op het lijf joeg. Gedreven door doodsangst, smeet ik de wortel in het water. Het lawaai hield op. Ze zaten er. Met z’n duizenden. Duizenden paar ogen loerend naar elke beweging die ik maakte. Ik deed een stap achterwaarts. Ze bleven zitten. Nog een stap. Geen beweging.
Ik raapte al mijn moed bijeen. Omdraaien en rennen. Rennen tot mijn benen me niet meer konden dragen. En ik heb gerend. Weggerend om nooit meer terug te keren.

Van de Wolf en de Zeven Geitjes

Door Coltrui op dinsdag 19 mei 2009 08:33 - Reacties (0)
Categorie: Lectuur - fictieve onzin, Views: 56

De gedrongen restauranthouder hield halt bij het laatst bemande tafeltje, schikte zijn koksmuts, en toverde een zuiderse glimlach onder zijn belachelijke snor.
‘Enne watte wille oe eete?’
Hij griste kladblokje en pen uit z’n borstzak, likte aan duim en wijsvinger, sloeg een volgekrabbeld velletje om en hield de pen in de aanslag.
De jongen en het meisje die het tafeltje bezetten, legden de spijskaart neer en keken elkaar wijfelend aan.
‘Doe maar,’ zei het meisje.
‘Nee hoor, doe jij maar eerst.’
‘Nee nee, doe maar!’
‘Nee nee, dames eerst.’
Snorremans schraapte zijn keel en liet zijn pen een paar keer klikken.
‘Zalle iek anders morrege of zo teroegkome?’
Het meisje bloosde.
‘Een spaghetti, alstublieft.’
‘Uno spaghetti voor de laaidie en voor mineer?’
‘Spaghetti klinkt goed. Doet u mij ook maar.’
‘Duo spaghetti. O en eh… Spaghetti especiale vandaag. Spaghetti mit vlees van die onnozele hertje en gehakt van blauw stampkonijntje! Ok?’
‘Prima, dank u.’
De pen deed klik en verdween samen met het notitieboekje weer in de borstzak. De muts maakte een buiging en waggelde richting keuken.

‘Zo, hier zitten we dan… Voor het eerst in levenden lijve. Waar het internet al niet goed voor is he?’
Het meisje knikte en staarde verlegen naar haar handen die aan een servet friemelden. Hij wuifde een vlieg weg die rond zijn hoofd zoemde.
‘Je bent mooi. Zelfs mooier dan op de foto die je me toegezonden hebt.’
‘Dank je.’
Zelfs haar oren kleurden dieprood.
‘Je bent zo stil? Scheelt er iets?’
Ze keek hem aan, opende haar mond, maar bedacht zich met een zucht. De vlieg baande cirkeltjes om zijn martiniglas.
‘He, kom nou! Vertel!’
Ze capituleerde.
‘Nou… Ik heb een verschrikkelijk geheim. Maar ik kan het nu nog niet met je delen.’
‘O?’
Hij nam zijn glas ter hand, greep zijn servet en wachtte tot de vlieg ging zitten.
‘Als ik er klaar voor ben, hoor je het wel. Goed?’
Als een zweep kwam het servet neer op tafel, waardoor het brommend insect in een vreemd stofwolkje ophield te bestaan.
‘Kutbeest.’
Vertederd zocht hij haar ogen.
‘Maar ok, geen probleem. Wanneer jij er klaar voor bent.’
Hij knipoogde en nipte van zijn drankje.

De kok kwam weer de keuken uitgewaggeld, een reuzebord balancerend op zijn hand. Voorzichtig plantte hij het op tafel tussen het koppeltje.
‘Ekskoezeer mie verschrikkelaak. Peter, onze nieuwe keukenhoelpje, heeft alle die borde laten vallen. Ik heb solo deze ene bord nog voor joellie samen. Ok?’
Het meisje haalde de schouders op.
‘Geen probleem,’ vertaalde de jongen.
‘Ok. Dan wense iek oe smakelijken eten!’
Toen de kok aanstalten maakte om zich weer naar zijn fornuis te begeven, ging de keukendeur open en kwam het hoofd van een jongeman om de hoek.
‘Tinkerbel? Tinkerbel! TINKERBEEEEEL!’
Snorremans liep rood aan van woede.
‘Peter! Verdoemme! Toeroeg in die keuken jij!’
‘Maar… Tinkerbel is weg!’
‘Tinkerbel min ore! Keuken zeg ik oe!’
Het hoofd verdween als de bliksem, achternagezeten door de kleine donderende kok.

‘Smakelijk! Tast toe!’
De jongen prikte z’n vork in de spaghetti en bracht hem naar zijn mond. Het meisje volgde zijn voorbeeld. Zwijgend slurpten ze de hangende slierten naar binnen. Ze deden zich te goed aan de gehaktballetjes. Ze aten zó gulzig dat ze een gemeenschappelijke sliert spaghetti pas merkten toen hun lippen elkaar raakten. Het meisje wendde verlegen het hoofd af en bracht haar servet naar haar met tomatensaus besmeurde mond. De jongen, verzadigd achteroverleunend, aanschouwde het laatste gehaktballetje en wilde er zijn vork in planten, maar bedacht zich. Hij boog zich naar haar toe.
‘Weet je, ik heb ook een verschrikkelijk geheim,’ fluisterde hij.
‘O?’
‘Wil je ‘t weten?’
‘Graag!’
‘Kijk!’
Hij sloot de ogen, ademde diep in en wachtte een tel.
‘Eén plus één is tweehonderd achtendertig!’ declareerde hij uiteindelijk.
Het meisje fronste de wenkbrauwen ten hemel en wilde hem net corrigeren, toen ze het zag.
Langzaam, heel langzaam, nam de neus van de jongen toe in lengte.
‘Hoe… Hoe doe je dat?’
Haar ogen spraken verbijstering.
‘Simpel!’ grinnikte hij. ‘Als ik een onwaarheid vertel, groeit mijn neus. Wacht, nog eens…’
Weer ademde hij in met gesloten ogen.
‘Ik betaal de rekening straks!’
Bij elke millimeter die zijn neus aan lengte won, viel haar mond een beetje verder open.
‘Ongelooflijk!’
‘Ja hé? Maar ‘t is erg handig! Kijk!’
Hij rolde haar met zijn lange reukorgaan het laatste gehaktballetje toe. Met een grote glimlach kletste ze het in haar viool.
‘En jouw geheim? Wilt je ‘t me echt niet vertellen?’
Ze stopte abrupt met kauwen, en wierp met wijd opengesperde ogen een blik op haar polshorloge.
‘Shit! Ik moet gaan. Fuck! Shit! Fuck! Shit!’
Wild sprong ze overeind, haar stoel kletterde achterover.
‘Wacht! Waar ga je heen? Wat doe je nu?’
‘Sorry!’ riep ze, net voor ze de deur van het restaurant achter zich dichtsloeg.
De jongeman zag verweesd hoe ze struikelend in de verte verdween. Hij schudde het hoofd vol ongeloof en stond op, waarbij zijn oog iets op de grond naast haar stoel ontwaarde.
Daar lag, in haar haast verloren, een Birkenstock. Voorzichtig raapte hij hem op en hield hem als een trofee de hoogte in.
‘Ik ken een meisje dat hiermee uiterst gelukkig zal zijn,’ dacht hij. ‘In ruil voor een zwavelstokje of drie.’
En zonder te betalen, verliet hij het pand.