Geen tweeling...

Door Coltrui op donderdag 28 mei 2009 08:25 - Reacties (0)
Categorie: Coltrui's kroost, Views: 1.358

Eigenlijk is het ongelooflijk hoezeer onze twee spruiten van elkaar verschillen.
Robin, zes doorgewinterde jaren, is redelijk hyperkinetisch van aard, nieuwsgierig van inborst en is niet met een kluitje in het riet te sturen. Om zes uur ’s ochtends breekt haar dagje aan, want het leven is zo boeiend! Er zijn zoveel vragen, waar ze zich eerst over intern moet beraden, en wanneer het antwoord niet dagen wil, wordt de kwestie ons voorgeschoteld, niet zelden met een koppel ouderlijke monden vol tanden tot gevolg.
Febe, het zonnetje van drie, slaapt tot ze honger heeft, en eet tot ze moe is. Alles wat los of vast zit, komt voor haar in aanmerking om aan haar smaakpapillen te worden onderworpen. Wanneer ze zich niet in dromenland bevindt, tatert ze honderduit. Ze tovert mopjes uit haar mouw waar geen zinnig touw aan vast te knopen valt, brabbelt al dansend kinderliedjes en vraagt negenhonderd keer per dag wat we eigenlijk gaan eten. En vooral wanneer.
Redelijk verschillend dus. Mocht de vraag in u opkomen wie van de twee het meest uit mijn genenpoel heeft meegekregen en wie uit die van mevrouw Coltrui, laat die maar lekker prangen. Ik prefereer nog steeds des avonds op normale wijze begroet te worden, boven een stevige kennismaking met mijn goede vriend, meneer deegrol.
Na deze overpeinzing, ging ik op zoek naar een metafoor om het verschil tussen beide meisjes en - sapperloot nog aan toe - ik heb er eentje gevonden ook. Een sprookje zie.

Er waren eens, lang, lang geleden, twee zusjes die Robin en Febe heetten. Niet allebei natuurlijk. Neenee, het ene meisje heette Robin en het andere Febe.
Op een dag speelden ze in het woud. Febe danste tussen de bomen en zong wat op het eerste gehoor een Oud-Hebreeuwse versie van ‘In een Klein Stationnetje’ leek te zijn. Af en toe hield ze halt om te proeven van al het lekkers dt de natuur om hen heen te bieden had. Paddenstoelen, tamme kastanjes, hazelnootjes, een integrale kudde reebokken - ze genoot met volle teugen. Robin manoeuvreerde dan weer door het woud, slingerend van liaan naar liaan, onderwijl diep verzonken in haar overpeinzing hoe oneerlijk het wel niet is dat er kindjes op de wereld waren, die helemaal geen woud hebben.

Plots hielden ze halt bij een huisje. Want zo gaat dat dan in sprookjes, moet u weten.
Robin bracht duim en wijsvinger naar haar onderlip en vernauwde haar ogen tot spleetjes.
‘Hmmm… Ik vraag me af wie daar woont.’
‘En of ze iets te bikken hebben!’
‘Wacht, ik loop een paar keer om het huis om te zien of er iemand thuis is.’
‘Goed, dan doe ik ondertussen een dutje.’
En zo geschiedde. Robin trok een paar spurtjes rond het huis, gluurde na elk rondje door de brievenbus en klom een keer of zes op het dak, terwijl Febe droomde over taart, chocomelk en halve speenvarkens met béarnaise.

‘Er is niemand thuis,’ hijgde Robin, terwijl ze haar zusje wakkerschudde.
Febe ging rechtop zitten en wreef in haar oogjes.
‘Staat er een ijskast in de keuken?’
‘Ik geloof het wel,’ knikte de grote zus.
‘Kom, we gaan naar binnen!’
‘Maar ik vertrouw het niet helemaal!’
‘Doe niet zo flauw.’
En voor Robin haar zusje kon tegenhouden, verdween Febe dansend en brabbelend door de voordeur. Met tegenzin ging ze achter haar aan.

‘Woa! PAP!’
Febe wreef zich likkebaardend in de handjes bij het zien van de drie borden pudding die op tafel stonden te dampen. Een klein, een gewoon en een enorme portie. Gulzig trok ze het grootste bord naar zich toe en viel aan. De pap was veel te heet. Niet dat het haar worst was - was het maar waar - in een mum van tijd had ze het bord binnengelepeld. De andere twee verdwenen dra ook achter de melktandjes.
‘Zou er nóg ergens zijn, Robin?’ smakte ze na, het laatste bord schoonlikkend.
‘Ik heb geen idee. Wat vind je van mijn trampolines, trouwens?’ Ze sprong wild van een kleine naar een iets grotere en een gigantische stoel.
‘Ziet er vermoeiend uit. Ik word al moe als ik je bezig zie. Zouden hier bedden zijn?’
Zonder op antwoord te wachten, trok Febe geeuwend een deur open en trof zowaar drie bedden op een rij. Ze gooide zich op het dichtsbijzijnde en knorde al gauw de buurt bijeen.

Niet veel later, strompelden de eigenaars van het huis, een kleine, een normale en - raar maar waar - een hele grote beer, hun keuken binnen. Robin had hen zien aankomen en was snel de kamer waar haar zusje lag te slapen ingeslopen.
‘Mijn pap is op!’ piepte de kleinste.
‘De mijne ook!’ gromde de normale beer.
‘Die van mij ook!’ brulde de grootste.
‘En onze stoelen!’ piepte de eerste weer, ‘Ze zijn allemaal kapot!’
‘Er is iemand in huis geweest!’ fluisterde de tweede.
‘No shit Sherlock!’ roloogde de grootste.
‘Ssst! Ik hoor gesnurk! Er is iemand in onze slaapkamer!’
Behoedzaam schuifelden de beren naar de slaapkamerdeur die ze plots pardoes openbeukten.
‘Febe! Febe, word wakker! Beren!’
Maar de kleine zus was met geen stokken wakker te krijgen. Robin zette het op een lopen en de twee kleinste beren holden achter haar aan. Ze liep het woud in, klauterde in bomen en sprong er weer uit, hetgeen haar achtervolgers na een tijdje scheen te vermoeien. Pas toen ze de op de E17 richting Gent de afslag naar de R4 nam, zegen de twee beren met een luide zucht ter aarde neer, alwaar ze naar verluidt tot op de dag van vandaag nog steeds op adem liggen te komen.
‘Mijn zusje! Ik moet haar gaan helpen!’
En alweer zette ze het op een lopen.

Weer aangekomen in de slaapkamer van het huisje in het woud, trof ze een bloederig schouwspel aan. Tussen een berg ingewanden, beenderen en bloed, zat haar kleine zusje.
‘Niet slecht, zo’n berenpoot!’ smakte ze, duimen en vingers aflikkend.
En ze leefden nog lang en gelukkig en zo.

Einde.

Van de Wolf en de Zeven Geitjes

Door Coltrui op dinsdag 19 mei 2009 08:33 - Reacties (0)
Categorie: Lectuur - fictieve onzin, Views: 1.371

De gedrongen restauranthouder hield halt bij het laatst bemande tafeltje, schikte zijn koksmuts, en toverde een zuiderse glimlach onder zijn belachelijke snor.
‘Enne watte wille oe eete?’
Hij griste kladblokje en pen uit z’n borstzak, likte aan duim en wijsvinger, sloeg een volgekrabbeld velletje om en hield de pen in de aanslag.
De jongen en het meisje die het tafeltje bezetten, legden de spijskaart neer en keken elkaar wijfelend aan.
‘Doe maar,’ zei het meisje.
‘Nee hoor, doe jij maar eerst.’
‘Nee nee, doe maar!’
‘Nee nee, dames eerst.’
Snorremans schraapte zijn keel en liet zijn pen een paar keer klikken.
‘Zalle iek anders morrege of zo teroegkome?’
Het meisje bloosde.
‘Een spaghetti, alstublieft.’
‘Uno spaghetti voor de laaidie en voor mineer?’
‘Spaghetti klinkt goed. Doet u mij ook maar.’
‘Duo spaghetti. O en eh… Spaghetti especiale vandaag. Spaghetti mit vlees van die onnozele hertje en gehakt van blauw stampkonijntje! Ok?’
‘Prima, dank u.’
De pen deed klik en verdween samen met het notitieboekje weer in de borstzak. De muts maakte een buiging en waggelde richting keuken.

‘Zo, hier zitten we dan… Voor het eerst in levenden lijve. Waar het internet al niet goed voor is he?’
Het meisje knikte en staarde verlegen naar haar handen die aan een servet friemelden. Hij wuifde een vlieg weg die rond zijn hoofd zoemde.
‘Je bent mooi. Zelfs mooier dan op de foto die je me toegezonden hebt.’
‘Dank je.’
Zelfs haar oren kleurden dieprood.
‘Je bent zo stil? Scheelt er iets?’
Ze keek hem aan, opende haar mond, maar bedacht zich met een zucht. De vlieg baande cirkeltjes om zijn martiniglas.
‘He, kom nou! Vertel!’
Ze capituleerde.
‘Nou… Ik heb een verschrikkelijk geheim. Maar ik kan het nu nog niet met je delen.’
‘O?’
Hij nam zijn glas ter hand, greep zijn servet en wachtte tot de vlieg ging zitten.
‘Als ik er klaar voor ben, hoor je het wel. Goed?’
Als een zweep kwam het servet neer op tafel, waardoor het brommend insect in een vreemd stofwolkje ophield te bestaan.
‘Kutbeest.’
Vertederd zocht hij haar ogen.
‘Maar ok, geen probleem. Wanneer jij er klaar voor bent.’
Hij knipoogde en nipte van zijn drankje.

De kok kwam weer de keuken uitgewaggeld, een reuzebord balancerend op zijn hand. Voorzichtig plantte hij het op tafel tussen het koppeltje.
‘Ekskoezeer mie verschrikkelaak. Peter, onze nieuwe keukenhoelpje, heeft alle die borde laten vallen. Ik heb solo deze ene bord nog voor joellie samen. Ok?’
Het meisje haalde de schouders op.
‘Geen probleem,’ vertaalde de jongen.
‘Ok. Dan wense iek oe smakelijken eten!’
Toen de kok aanstalten maakte om zich weer naar zijn fornuis te begeven, ging de keukendeur open en kwam het hoofd van een jongeman om de hoek.
‘Tinkerbel? Tinkerbel! TINKERBEEEEEL!’
Snorremans liep rood aan van woede.
‘Peter! Verdoemme! Toeroeg in die keuken jij!’
‘Maar… Tinkerbel is weg!’
‘Tinkerbel min ore! Keuken zeg ik oe!’
Het hoofd verdween als de bliksem, achternagezeten door de kleine donderende kok.

‘Smakelijk! Tast toe!’
De jongen prikte z’n vork in de spaghetti en bracht hem naar zijn mond. Het meisje volgde zijn voorbeeld. Zwijgend slurpten ze de hangende slierten naar binnen. Ze deden zich te goed aan de gehaktballetjes. Ze aten zó gulzig dat ze een gemeenschappelijke sliert spaghetti pas merkten toen hun lippen elkaar raakten. Het meisje wendde verlegen het hoofd af en bracht haar servet naar haar met tomatensaus besmeurde mond. De jongen, verzadigd achteroverleunend, aanschouwde het laatste gehaktballetje en wilde er zijn vork in planten, maar bedacht zich. Hij boog zich naar haar toe.
‘Weet je, ik heb ook een verschrikkelijk geheim,’ fluisterde hij.
‘O?’
‘Wil je ‘t weten?’
‘Graag!’
‘Kijk!’
Hij sloot de ogen, ademde diep in en wachtte een tel.
‘Eén plus één is tweehonderd achtendertig!’ declareerde hij uiteindelijk.
Het meisje fronste de wenkbrauwen ten hemel en wilde hem net corrigeren, toen ze het zag.
Langzaam, heel langzaam, nam de neus van de jongen toe in lengte.
‘Hoe… Hoe doe je dat?’
Haar ogen spraken verbijstering.
‘Simpel!’ grinnikte hij. ‘Als ik een onwaarheid vertel, groeit mijn neus. Wacht, nog eens…’
Weer ademde hij in met gesloten ogen.
‘Ik betaal de rekening straks!’
Bij elke millimeter die zijn neus aan lengte won, viel haar mond een beetje verder open.
‘Ongelooflijk!’
‘Ja hé? Maar ‘t is erg handig! Kijk!’
Hij rolde haar met zijn lange reukorgaan het laatste gehaktballetje toe. Met een grote glimlach kletste ze het in haar viool.
‘En jouw geheim? Wilt je ‘t me echt niet vertellen?’
Ze stopte abrupt met kauwen, en wierp met wijd opengesperde ogen een blik op haar polshorloge.
‘Shit! Ik moet gaan. Fuck! Shit! Fuck! Shit!’
Wild sprong ze overeind, haar stoel kletterde achterover.
‘Wacht! Waar ga je heen? Wat doe je nu?’
‘Sorry!’ riep ze, net voor ze de deur van het restaurant achter zich dichtsloeg.
De jongeman zag verweesd hoe ze struikelend in de verte verdween. Hij schudde het hoofd vol ongeloof en stond op, waarbij zijn oog iets op de grond naast haar stoel ontwaarde.
Daar lag, in haar haast verloren, een Birkenstock. Voorzichtig raapte hij hem op en hield hem als een trofee de hoogte in.
‘Ik ken een meisje dat hiermee uiterst gelukkig zal zijn,’ dacht hij. ‘In ruil voor een zwavelstokje of drie.’
En zonder te betalen, verliet hij het pand.