Déjà-vu alert! Bestaande post, verhuisd van mijn oude naar deze blog.

Lang en gelukkig?

Door Coltrui op maandag 21 juni 2010 12:56 - Reacties (38)
Categorieën: Lectuur - fictieve onzin, Recycled, Views: 7.802

Ahoi gij daar. Lang geleden, ik weet het, maar er is aanleiding toe. Een aantal van u opperde immers om eens wat schrijfsels te bundelen en na lang nadenken en overwegen, heb ik dan ook besloten om er eens werk van te maken.
Het nadeel is echter wel dat de nieuwe pennenvruchten voorlopig niet hier worden neergepoot - u begrijpt dat ik niet enkel met oude stukjes kan gaan leuren.

Ondertussen mag u - indien u weten wil hoe het de bekendste sprookjesfiguren vergaan is - zich in stilte ledig houden met onderstaande onzin.

Lees verder »

Wraak zoet als vanille

Door Coltrui op donderdag 3 juni 2010 11:00 - Reacties (47)
Categorieën: Coltrui's kroost, Frustraties, Recycled, Views: 5.607

Ik trap woest op het gaspedaal en nader de ijscokar wiens eigenaar ervan gaat lusten. O nee, ik schat zijn toekomst niet bijster frambooskleurig in.

De agent zou zijn armen kruisen op zijn borst en zijn gewicht op de achterpoten van de stoel laten balanceren.
‘Meneer vindt dat blijkbaar doodnormaal, zo iemand even vrolijk bijeenmeppen? Een gebroken neus en maar liefst twaalf hechtingen!’
Ik zou de lippen stijf op elkaar houden, want hoe leg je zoiets uit aan de rationele arm der wet? Enkel een moeder of vader kent de knagende woede die opflakkert wanneer je nazaat - nog te jong om zich er zelf tegen te bewapenen - onrecht wordt aangedaan. Enkel een moeder of vader...
‘Twaalf hechtingen!’ zou hij herhalen, waarbij hij me als een volslagen idioot slechts tien vingers zou voorhouden. meteen gevolgd door een verwarde blik wegens het gebrek aan een elfde en twaalfde.
‘Nou, gefeliciteerd, je mag er echt trots op zijn!’
Trots zou ik niet zijn. Jeukende spijt zou me tergen, want een koppel dichtgemepte ogen zou een bevredigend extraatje geweest kunnen zijn.


Het gewraakte voertuig rijdt nu vlak voor me. IJscoman heeft zijn laatste bolletje ijs geschept, wat mij betreft.

Ik zie mijn dochtertje van vier weer op de stoep staan. Blote voetjes die trappelen van ongeduld om het felbegeerde ijsje te bemachtigen. Ze laat haar tong zenuwachtig van links naar rechts dansen op haar bovenlip, waar een snottebel hangt en laat het kleingeld in haar tot een kommetje gevouwen handjes rinkelen.
En dan komt de tingelingende klootzak met zijn kar vol lekkers; het meisje met de blote voetjes straalt.
‘Daar issie papa! Daar issie! Moet jij ook een ijsje?’
Ik schud glimlachend mijn hoofd en kan niet verklaren hoe haar groot, maar o zo eenvoudig verlangen me iets doet wegslikken dat er niet is.
Plots gejoel. Een uitbundige bende kleutertjes komt een van de huizen helemaal aan het einde van de straat uitgestormd. Ze zijn met z’n tienen, schat ik van ver en hebben allemaal verjaardagshoedjes op.
IJscoman ruikt de jackpot. Hij geeft gas bij en negeert het kleingeld dat mijn dochter voor hem is.
Haar gezicht schrijft aarzelend een alinea die ik lees als verbazing. Heeft ie me niet gezien dan? Ja, dat kan toch niet anders?
‘Meneer! Meneeeeeer!’
Ze springt en zwaait met haar handje vol kleingeld, maar meneeeeeers hart blijkt zo koud als zijn koopwaar.
‘Die stopt nie!’ pruilt ze.
M’n kleine meisje kijkt me aan met mondhoeken die ik nog nooit zo laag heb zien hangen en hoewel ze haar schouders quasi-onverschillig ophaalt, gommen tranen van onmacht de twijfel van haar gezichtje en herschrijven ze haar verhaaltje met de pen van ontgoocheling.
Ik geef haar een troostende zoen, duw haar zachtjes weer naar binnen en zeg dat ik zo terug ben. Dan spring ik in mijn wagen en net als ik start, zie ik tien gelukkige feesthoedjes terwijl ijscoman de straat uitrijdt.


Ik bal mijn vuisten en warm ze alvast even op door een paar maal op de claxon te meppen. De mistlichten krijgen het ook hard te verduren. Het rechterpedaal gaat diep en met gierende banden passeer ik de ijsventer, waarna ik door een ruk aan het stuur en een krachtige stoot op de rem de kar klemrijd. Ik gooi het portier open en been naar de zijkant van de ijscokar, terwijl ik mijn knokkels een voor een laat kraken. Eindelijk..
Een gedaante kruipt moeizaam vanachter het stuur, neemt een ijslepel en kijkt me glimlachend aan.
‘Goedemiddag, meneer. Zegt u het maar…’
Jezus!
Ik voel de verbazing zó over mijn gezicht glijden, van boven naar beneden, en ze neemt mijn onderkaak mee. De ijsventer wiens façade ik me reeds lelijk toegetakeld voorstelde tijdens mijn dolle achtervolging, zag er in mijn gedachten uit als een puisterige achttienjarige met zo’n ontluikend schaamhaarsnorretje. Deze ijscoman zag er verdraaid anders uit.
‘Gaat het?’ vroegen twee bezorgde ogen van de zichtbaar zwangere vrouw.
Enkel een moeder of vader kent de knagende woede die opflakkert wanneer je nazaat - nog te jong om zich er zelf tegen te bewapenen - onrecht wordt aangedaan. Enkel een moeder of vader...

‘Ehm ja, doe maar een hoorntje met twee bolletjes chocola,’ aarzel ik.

Terwijl ik terug in mijn wagen stapte, ebde mijn woede bijna helemaal weg.
Bijna, want die twaalf hechtingen wenste ik haar stiekem toch nog toe.
Misschien na haar bevalling, zo ter hoogte van waar de onderbuik verandert van naam.

Een heel lief, klein, blauw vogeltje

Door Coltrui op maandag 31 mei 2010 16:30 - Reacties (35)
Categorieën: Recycled, Varia, Views: 7.048

Ik stond daarstraks buiten mijn longen te voorzien van een dosis verlichtende nicotine toen een heel lief, klein, blauw vogeltje aan kwam vliegen en op mijn schouder landde. Maar echt zo’n héél lief, klein, blauw vogeltje.
‘Hey, dag lief, klein, blauw vogeltje!’ zei ik aangenaam verrast.
‘Hou je rotkop, stinksmoel!’ repliceerde het lief, klein vogeltje.
‘Oei, scheelt er iets?’
‘Moet je jezelf hier eens zien staan. Belachelijk gewoon!’
‘Hoezo?’
‘Je staat hier buiten in de regen jezelf met behulp van een staaf vetzakkerij het graf in te zabberen. En waarom? Vind je’t stoer misschien?’
Ik weet niet waarom, maar ik moest het lief, klein vogeltje gelijk geven.
‘Nou, stoer vind ik het niet echt. Maar ‘t is wel lekker..’
‘Lekker? Lolly’s met colasmaak, die zijn lekker! Kap toch met die onzin!’
‘Je moest eens weten hoe vaak ik al geprobeerd heb, o edel, lief, klein, blauw vogeltje!’
‘Je bent een gore vetzak zonder ruggengraat. Ik kak op mensen als jij!’
Het lief, klein, blauw vogeltje voegde de daad bij het woord en perste uit alle macht zijn darminhoud in mijn nek. Toen hij daarmee klaar was, nam hij weer het woord.
‘Al wat je moet doen op de moeilijke momenten is een lolly met colasmaak tussen uw gore gele tanden proppen en “neen” zeggen.’
‘Neen?’
‘Ja, "neen". Simpel toch?’
‘Ik zal het nog eens proberen,’ stotterde ik beschaamd, terwijl ik mijn peuk weggooide.
‘Het is je geraden!’

Hij keek me even dreigend aan en steeg weer op. Weg was het lief, klein vogeltje.
Dus mensen, onthoud en verkondig de boodschap: stop met roken of voel de wraak van het lief, klein blauw vogeltje. En rook gezond: eet een lolly met colasmaak.

Ik ga alvast poging negen aanvatten.

Héél soms is Coltrui Hollander

Door Coltrui op dinsdag 25 mei 2010 20:30 - Reacties (43)
Categorieën: Recycled, Varia, Views: 5.083

De eerlijkheid gebiedt me toe te geven dat ik me over het algemeen niet zo in mijn sas voel in Nederlands gezelschap. Nee, als ik de uitzonderingen over dezelfde kam mag scheren als mijn stereotype Noorderburen, wat ik vast niet mag, maar lekker tóch doe want zoals u nu wel al weet ben ik uitermate schattig en mag ik dat dus gewoon zonder represailles, durf ik te beweren dat het een schreeuwerig, hautain volkje is dat zichzelf heel graag op de borst klopt voor elk vlaagje darmgas dat hen ontsnapt.
Zoals u zich waarschijnlijk wel kan voorstellen, strookt dat dus totaal niet met het bedeesde en uitermate bescheiden genie dat in mij huist.

Maar, sinds een jaar of twee - en ik geef het niet graag toe - is er één gelegenheid waarbij ik me met graagte door een meute van deze schreeuwlelijkerds laat omringen. Eén gelegenheid, waarbij ik spijt heb dat mijn moeder me geen paar kilometer noordelijker ter wereld heeft gegooid. Eén gelegenheid: wanneer het Nederlandse nationale voetbalteam aantreedt.

Wanneer het Heilige Oranje de Gezegende Akker op moet, om de eer van de kazen, tulpen, klompen, windmolens en rare sigaretten te verdedigen, schept dat voor iedere trotse Nederlander - en trots zijn jullie allemaal - de verplichting toeter, driekleur en beker lauwe Heineken ter hand te nemen, waarna u zich, gekroond met de meest afzichtelijke hoofddeksels, massaal inschrijft om uw dienstplicht te vervullen bij het meest gevreesde leger ter wereld: het Oranjelegioen.

Ik liet me vorig EK ompraten door een Nederlandse collega om de grens over te steken, een café binnen te kruipen en zo als verloren Belg in het oranjegewoel op te gaan. De sfeer die heerste was fenomenaal en alwaar ik, kunstmatige sfeer-hater van het eerste uur, me in den beginne vol plaatsvervangende schaamte zo onopvallend mogelijk afzijdig hield, gaf ik me gaandeweg over aan het oerinstinct dat blijkbaar de overhand krijgt naarmate het gerstenat vloeit - zélfs wanneer het slechts Heineken betreft. O ja, landverraad is dan niet veraf meer.
Daar kunnen wij - Belgen - een puntje aan zuigen. Toegegeven, we hebben niet veel waarvoor we de borst mogen vooruitsteken wanneer het op balletje-trap aankomt, maar ook in de tijd dat het er in de Hel onzer eigen Rode Duivels iets minder onderkoeld aan toeging, hebben wij, Belgen, onze elf uitverkorenen nooit zo en masse richting het doel van de tegenstander geschreeuwd.

Geloof het of niet, maar de oranje vrouwen zorgen tijdens de hoogdagen van zo'n tornooi niet voor de was en de plas, en iets zegt me dat ook hun kroost hen heel even integraal aan hun derrière kan oxideren. Integendeel, ook zij verlenen hun diensten aan het Legioen en juichen zich in stukken vaneen, vooral wanneer hun echtgenoot dat pleegt te doen. Al dient gezegd dat ik bijna van mijn barkruk lag van het lachen, toen een man zich letterlijk distantieerde van zijn eigen beteuterde vrouwelijke soldaat, toen ze te laat tot het pijnlijke besef kwam dat één van de vele Russische tegendoelpunten (doet het nog pijn, waarde Nederlander?) geen reden was om te gaan juichen en toeteren als een losgeslagen en vooral eenzame idioot.

Ik weet één ding: zolang Oranje niet uit het tornooi gekegeld wordt, ben ik even Nederlander. Hup Holland hup! En nog een Heineken graag…

De bomma en de keffer

Door Coltrui op vrijdag 21 mei 2010 13:15 - Reacties (29)
Categorieën: Frustraties, Recycled, Views: 4.662

Gisterenmiddag kwam ik thuis na een zware dag vol arbeid en zo. Ik parkeerde mijn wagen, trok de handrem aan en vloekte inwendig bij het zien van het schouwspel dat zich op de stoep voor mijn deur afspeelde.

Een dame van pakweg zestig, zo’n corpulent type dat zichzelf met behulp van een belachelijke hoed en een tros juwelen tot de adelstand poogt te verheffen, waggelde achter haar idioot kleine enkelbijtertje aan. Blijkbaar vond het mormel mijn stukje stoep een ideale lokatie om zijn gevoeg te doen. De omvang van de keutels die vlotjes uit zijn achterste tuimelden was niet minnetjes en algauw vormde zich een hoopje faeces om U tegen te zeggen. Altijd beleefd blijven tegen faeces.
De menster van de haarbol keek zenuwachtig om zich heen, duidelijk in de hoop dat er geen getuigen waren.

Ik stapte uit de wagen, stak de straat over en bleef met gekruiste armen staan, op dertig centimeter van de kakkende keffer die de toegang tot mijn woning versperde. Toen het de omhooggevallen wannabe-gravin begon te dagen waarom ik daar stond, begon haar onderlip lichtjes te trillen.
‘Kom Mufti, meneer moet passeren,’ zei ze zenuwachtig, terwijl ze enkele korte snokjes aan de leiband gaf.
Maar Mufti had blijkbaar een hele gebraden olifant als ontbijt verorberd en perste strijdvaardig door. De dikke barones besloot dan maar door te waggelen en sleurde Mufti zowat achter zich aan, terwijl die in hurkende houding dapper keutels bleef lossen.
Blijkbaar had ze dus geen enkele intentie om de rotzooi op te ruimen. Mijn eerste ingeving was haar adres te vragen, zodat ik er bij gelegenheid eens met een bende volgevreten pinguïns kon passeren. Pinguïns hebben een geweldige stoelgang, moet u weten.
Toch liet ik dat plan al gauw varen, vooral bij gebrek aan pinguïns. Dus sprak ik haar maar aan.
‘Zeg mevrouwtje… U gaat dat hier toch niet zomaar laten liggen, mag ik hopen?’
Mijn rechtervoet tapte keistoer op de stoeptegels - dat kan ik héél erg goed - en dirigeerde daarbij haar bevende onderlip.
‘Ehm.. Het spijt me meneer, maar ik heb geen zakje bij…’
‘En dus moet ik maar naar binnen glijden over deze berg?’
‘Ehm.. Ja… Vervelend… Heeft u soms een plastiek zakje?’
‘Nee, maar ik heb wel een doos Kleenex in mijn wagen.’

En zo stond op een donderdagmiddag in ons kleine dorpje een opgedirkte Madame de Pompadour stront te rapen voor mijn voordeur, waarna ze haar wandelingetje hervatte met in de ene hand de leiband van Mufti en in de andere een 'poepsjieke' handtas, waarin een portie verse Muftikeutels opgeborgen zat.